Sintels van de bliksem

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, dit keer nagelaten stukken van dichteres Vasalis.

Ik las eens in het tijdschrift Criterium, jaargang 1945, een paar ‘fragmenten uit een journaal’, van Vasalis. Het waren stukken uit haar dagboek uit de oorlogsjaren, toen nog heel vers. Drie bladzijden maar, met verslagen van doktersvisites in Amsterdam. Eerst de gruwel en de waanzin van de Jodendeportaties in 1942, daarna de gruwel en de waanzin van de Hongerwinter, begin 1945. Zieken in donkere achterafkamers, een kind op een driewieler op straat in een badpak met een jodenster, angst, armoede, wanhoop, dood. Alles rauwe werkelijkheid. Maar ook alles gezien met een wat afstandelijke blik, als was het een droom. ‘De stad is bij mooie dagen een oostersche stad. Vuilnishoopen tegen boomstompen. [...] Ik zag achter op een fiets een oud stijf wijfje, dun en stijf als een bajonet. Ze leek op de sintel van een bliksemstraal.’

Ik heb de bladzijden toen meteen gekopieerd en bij mijn Vasaliana gevoegd. Daar bevindt zich ook het dankwoord dat zij in 1974 uitsprak bij het ontvangen van de Constantijn Huygensprijs. Ze probeerde daarin antwoord te geven op de vraag waarom ze na 1954 geen poëzie meer had gepubliceerd. Dat had niets met de komst van de Vijftigers te maken, maar alles met de oorlog. ‘Wat mij na de oorlog overkomen is, komt hierop neer: een enorme relativering van mijn eigen lot, mijn eigen geluk of ongeluk, mijn meningen, oordelen, mijn kennis en mijn commentaar. [...] Ik moest voortdurend tot de conclusie komen dat mijn commentaar volstrekt overbodig was en dat het geen zin had mijn lucifer bij de brand af te strijken.’ Dat stuk maakte veel indruk op mij. Dichters schrijven , zelden over waarom ze niet meer willen.

Eenzelfde eerlijkheid is te vinden in het weinige andere proza dat Vasalis schreef: een paar inleidingen, een novelle, wat brieffragmenten, enkele dankwoorden en artikelen. Daarin spreekt steeds een onderzoekende geest, kritisch en kwetsbaar. Was er niet meer? Ik ben eerlijk gezegd altijd benieuwder geweest naar haar eventuele nagelaten proza dan naar haar nagelaten poëzie. En zie, daar kwam op 13 februari 2009 zomaar De amanuensis uit de lucht vallen: een uitgaafje, niet in de handel, ter gelegenheid van Vasalis’ honderdste geboortedag, met zeven niet eerder gepubliceerde stukken. Alle zeven kort en krachtig, alle zeven hard en humoristisch, maar alle zeven ook met die wat aftastende afstandelijkheid. Over de amanuensis bij het practicum anatomie: ‘Ik ging met hem om zoals een ontdekkingsreiziger die een nieuwe diersoort vindt.’ Ook in deze portretten en herinneringen onvergetelijke scènes. Het bezoek met vader aan de zieke sigarenwinkelier. Het nieuwsgierige kind dat een glazen pot met een embryo vindt – zonder te weten dat het een embryo is. Het hartverscheurende portret van de werkster die met pensioen moet, maar niet wil – en de dag na haar afscheid gewoon weer op haar werk verschijnt. ‘Ze keek niet op of om en begon direct te werken.’ Ik ga hier niet vertellen hoe het met haar afloopt. Ik droom nu elke nacht van haar.

Misschien had de vraag aan de dichteres na 1954 niet moeten luiden: komen er nog nieuwe gedichten? Maar: waarom gaat u geen verhalen schrijven?

M. Vasalis, De amanuensis. Van Oorschot, 24 blz.Niet in de handel.