Rebelleren tegen 'fun', succes en lawaai

Joris Note: Tegen het einde. De Bezige Bij. 208 blz. € 18,50.

In zijn roman Timmerwerk bracht Joris Note zeven jaar geleden een eerbetoon aan zijn vader, die een brave man was: een gewetensvol timmerman en later een plichtsgetrouwe douanier. Die autobiografische toets ontbreekt in zijn nieuwe roman, Tegen het einde. Hoofdpersoon is een geschiedenisleraar, Maurice Loterman, die op zijn 58ste vervroegd is uitgetreden en die aanmerkelijk minder braaf en volgzaam is dan vader Note. Na een zeer actieve loopbaan lijkt hij in het bekende zwarte gat te zijn gevallen. ‘Ik zat, ik at, ik lag, ik dronk, ik sliep, ik zeek, ik scheet, ik keek.’ Hij bezint zich op de rest van zijn leven. En één ding wordt al snel duidelijk: hij zal zijn dagen niet slijten op de manier van de gemiddelde senior: ‘een samenstel van reizen, kleinkinderen, lezen, sport, karweien in huis, cursussen allerlei, in de tuin werken en andere natuurgenoegens, film en andere spektakels, en genoeg groenten en fruit eten.’

Hij rebelleert tegen wat hij ‘het evidente’ noemt, tegen alles wat voor de hand ligt om te doen of te laten. Ook de roman waarin deze gepensioneerde historicus figureert, verzet zich tegen het voor de hand liggende. Er ontvouwt zich dus geen overzichtelijk levensverhaal met een onschuldige jeugd, druistig middenstuk en een kalme levensavond. De lezer moet zelf de verbinding maar zien te leggen tussen de wirwar aan verhalende fragmenten, herinneringen, literaire citaten, historische feiten, bureaucratische perikelen met af te graven gifgrond, akelige dromen en politieke uiteenzettingen.

Zo verkeert wat zich aanvankelijk aandient als een geestige, ironische roman over het middelbaar onderwijs langzaam maar zeker in een boos essay over Maximilien Robespierre en andere revolutionaire zaken. Maurice is verbolgen over het feit dat de erfenis van deze voorvechter van vrijheid, gelijkheid en broederschap verkwanseld is. Robespierre streed voor een rechtvaardige maatschappij waarin het volk het voor het zeggen had. Wij profiteren nog altijd van zijn inspanningen voor het vestigen van de democratie. Tijdens zijn leraarschap besteedde Maurice dan ook altijd veel aandacht aan de Franse Revolutie. Maar tot zijn ergernis wordt Robespierre, ruim tweehonderd jaar na zijn gewelddadige dood, inmiddels vooral geassocieerd met guillotine en schrikbewind en niet met helder geformuleerde verlichtingsidealen of met de Verklaring van de rechten van de mens.

Anders dan Robespierre, zo fulmineert Notes leraar, hebben hedendaagse burgers geen oog meer voor traditie, voor ideologieën, voor zingeving, overtuiging of passie. In ‘9/11’ ziet hij geen strijd tussen islam en christendom, maar ‘een botsing van twee nihilismen’, een bevestiging van zijn sombere idee dat er geen idealen meer zijn, maar alleen een drang naar geld en macht. Tegenover de tegenwoordig zo gewenste ‘fun’, tegenover ‘kijkcijfers, succes en lawaai’ en tegenover het verlangen om in alles, tot aan onze zelfgekozen dood toe, ‘ons eigen ding’ te doen, stelt de dwarse Maurice zijn verlangen naar strenge traktaten, harde leerboeken en de zuivere taal van Mallarmé.

Omdat hij niet kan leven met ideologische leegte, en met een tijdperk zonder passie of overtuiging, waarin ‘glitterspraak, baasspraak en vuistspraak’ opgeld zouden doen, stelt deze nazaat van Robespierre een daad. Of eigenlijk twee daden. Hij besluit zijn misnoegen over de gang van zaken op schrift te stellen, in opvallend hoekige bewoordingen: de roman Tegen het einde dus, die we met wisselend genoegen lezen. Nu eens grinnikend om een geestige anekdote of een droge formulering, dan weer zuchtend onder taaie, al te theoretische verhandelingen. En hij bekent ons, in afgemeten zinnen, zijn onvoorwaardelijke liefde, eerst voor de jonggestorven Catherine, daarna voor Rita, met wie hij, tegen het einde van zijn leven, opnieuw een verhouding begint. Op knorrige en gereserveerde toon wordt ons keer op keer onder de neus gewreven dat de wereld toch heus de moeite waard is. Niet om er ‘fun’ aan te beleven, uiteraard, maar om ons erdoor te laten ophitsen – tot onze laatste snik.