Pensioenen versoberen is de prijs van herstel

De helft van de Nederlandse pensioenfondsen verkeert in nood en moet ingrijpen. Enkele grote fondsen kunnen er niet omheen de premies te verhogen of de pensioenen te verlagen.

Het hoge woord is eruit. De pensioensector is in wezen bankroet.

De banken en verzekeraars die minister Bos van Financiën de afgelopen maanden met miljarden euro’s heeft gered waren stuk voor stuk financieel gezond.

Maar „veel pensioenfondsen” hebben eind 2008 een vermogenstekort. „Er is sprake van een solvabiliteitsprobleem”, schreef minister Donner van Sociale Zaken aan de Tweede Kamer. De verplichtingen van talloze pensioenfondsen overtreffen hun bezittingen.

Gewone bedrijven die een vermogenstekort hebben en niet meer aan geld kunnen komen gaan gewoon failliet. Maar pensioenfondsen zijn anders. Zij zijn spaarvarkens met 600 miljard euro. Geld is wel hun laatste probleem. Schuldeisers zoals pensioengerechtigden kunnen wel proberen om hun pensioenfonds failliet te laten verklaren. Maar het is twijfelachtig of een rechtbank dat ook zal doen. Zoals de pensioenwereld én minister Donner keer op keer verzekeren: de uitbetaling van pensioenen is niet in gevaar.

„Enkele honderden fondsen” kampen met problemen, schrijft Donner. Dat is de helft van alle fondsen. Ter vergelijking: in de pensioencrisis van 2001-2003 ging het om zo’n 200 fondsen, toen een kwart van alle fondsen. De crisis van toen heeft het aantal fondsen uitgedund: kleinere fondsen hebben onderdak gezocht bij grotere of bij een commerciële verzekeraar.

In de crisis van 2001-2003 was de financiële positie van de pensioenfondsen slecht, maar niet zo slecht als nu. De verhouding tussen de beleggingen en de pensioenverplichtingen, de zogeheten dekkingsgraad, lag voor de pensioenwereld als geheel op het dieptepunt (31 maart 2003) op 99 procent. Hij moet minimaal 105 procent zijn. De gemiddelde dekkingsgraad ligt tussen 90 en 95 procent, schrijft Donner, met uitschieters naar boven en beneden. Donner geeft geen precieze cijfers.

Het dieptepunt van de vorige pensioencrisis was eind maart 2003. De Nederlandse beursgraadmeter AEX tikte de stand aan van 218 punten. Diezelfde stand bereikte de graadmeter afgelopen week opnieuw meermalen. Extra hoofdpijn geeft de rentedaling. Daardoor stijgt de huidige waarde van de pensioenverplichtingen: bij een lage rente hebben fondsen nu meer geld nodig om later de pensioenen te betalen. Pensioenfondsen kunnen zich verzekeren tegen de gevolgen van dat risico. Sommige fondsen, zoals die van de Rabobank, van Philips, van de verpakkingsbedrijven (De Eendragt) en van de woningcorporaties, hebben dat effectief gedaan.

Grootscheepse premieverhogingen zoals in de vorige crisis (zie kader) zitten er nu niet in. De pensioenpremies staan op maximale, kostendekkende hoogte. Bovendien kampen werkgevers met een afzetcrisis. Zij snijden juist in hun kosten en staan niet klaar om hun kosten te verhogen met extra pensioenpremies.

Het bevriezen van pensioenen is nu de meest gebruikte oplossing op korte termijn. Dat is evenals in de vorige crisis een vorm van versobering. Onder druk wordt alles vloeibaar: minister Donner heeft de periode opgeschort die de pensioenfondsen krijgen om zich te herstellen voordat zij hun uitkeringen moeten verlagen. Drie jaar wordt vijf jaar. Maar is dat genoeg? Voor pensioenfondsen met een dekkingsgraad van minder dan 90 procent belooft het een taaie strijd bergopwaarts te worden om de 105 procent te halen. „Bij 90 procent of lager kan een fonds niet zonder ernstige maatregelen, zoals extra premies of verlaging van pensioenen, in vijf jaar uitkomen op 105 procent”, zegt Dennis van Ek van adviesbureau Mercer.

De prijs van herstel is jarenlange bevriezing van de pensioenen. Dat betekent een teruggang in de koopkracht van ouderen en stilstand voor de pensioengroei van werknemers. Pensioenfondsen die zien aankomen dat zij de 105 procent niet halen, moeten rap drastische maatregelen nemen, zoals verlaging van pensioenrechten. De FNV wil daarom meer tijd dan vijf jaar. Afgevaardigden van de FNV-bonden zitten in de besturen van tientallen bedrijfstakpensioenfondsen, waaronder zwakke fondsen als ABP, Metalektro, Metaal & Techniek en PNO Media. Dit zijn grotendeels fondsen met een vergrijzende werknemersbestand die kwetsbaarder zijn voor tegenslagen dan fondsen met veel jongeren die nog decennia premies betalen.

Oog in oog met de solvabiliteitscrisis gaat de minister met de branche overleggen „over de houdbaarheid van het pensioenstelsel op lange termijn”. Pijnlijk voor politici en voor de sector: de pensioenwetgeving uit 2006 veronderstelt een majeure crisis eens in de veertig jaar. De werkelijkheid is nu eens in de zes jaar.