Pardon? Dansen met je neus?

De Nederlandse Amerikaan Michael Schumacher krijgt steeds meer waardering als meester van de improvisatiedans. „Als ik zeg dat ik met mijn lichaam improviseer, dan hebben de meeste mensen geen idee wat ze zich daarbij moeten voorstellen.”

Improvisatie heeft binnen de danskunst nog altijd niet de status van een volwaardig genre. Terwijl ‘instant compositie’ in de muziekwereld, met name binnen de jazz, al decennialang wordt geaccepteerd als gewoon één van de stromingen, met een eigen taal, circuit en publiek, kampt dansimprovisatie als voorstellingsvorm met een wat moeizaam imago: geen touw aan vast te knopen, ze rotzooien maar wat aan, erg sixties. Improvisatieavonden zijn dan ook vaak aangelegenheden voor de incrowd in kleine achterafzaaltjes.

Des te opmerkelijker was het dat de Amerikaan Michael Schumacher (1961) tijdens de Nederlandse Dansdagen 2008 de twee belangrijkste prijzen in de wacht sleepte. Van de Vereniging voor Schouwburg- en Concertgebouwdirecties ontving hij de Gouden Zwaan, een oeuvreprijs voor zijn verdiensten als danser, choreograaf, docent en vooral als ‘meesterlijk improvisator’. Het juryrapport: „Hij heeft in Nederland een belangrijke bijdrage geleverd aan het demystificeren van dit vakgebied. In zijn handen wordt improvisatie een kunstvorm; niet vrijblijvend maar gedisciplineerd, doelgericht en schijnbaar vrij.”

Hoe terecht ook, verrassend was die keuze wel. Juist schouwburgprogrammeurs zijn vaak huiverig voor het onvoorspelbare, anarchistische en dus lastig in de markt te zetten genre. Nóg verrassender, niet in de laatste plaats voor Schumacher zelf, was het besluit van Jirí Kylián uitgerekend hem aan te wijzen als eerste drager van de Kylián Ring; een doorgeefprijs die drie jaar geleden werd ingesteld. Dat de wereldberoemde Kylián, perfectionist en estheet in hart en nieren, ‘zijn’ prijs zou toekennen aan Schumacher, die als voorman van de dansimprovisatie fouten, onvolkomenheden en, binnen grenzen, mislukking omarmt, mag ook wel uitzonderlijk heten.

Voor wie vorig jaar Last Touch First heeft gezien, is het minder onbegrijpelijk. Twee jaar geleden werkte Kylián samen met de Amerikaan aan de re-productie van zijn ballet Last Touch (2003), een dansdrama in ultra slow motion. In Schumachers bewerking won het stuk enorm aan zeggingskracht. „Een van de bijzonderste werkprocessen uit mijn artistieke loopbaan”, noemt Kylián de uren die hij met Schumacher en een aantal voormalige dansers van het Nederlands Dans Theater in de studio doorbracht. „Men doet hem tekort door hem alleen als improvisator te roemen. Michael is veelzijdig en heeft interesse in alle kunstvormen. Hij is een leraar, een choreograaf, een communicator. Dat is misschien wel het belangrijkste: hij is iemand die mensen uit verschillende disciplines bij elkaar kan brengen.”

Al die lof wordt de innemende, bescheiden danser bijna te veel. „Enough already!”, roept hij lachend tijdens een gesprek in zijn huis in de Amsterdamse Pijp. Na een korte maar hevige periode van media-aandacht heeft het leven zijn normale gang hernomen. Sinds oktober heeft Schumacher les gegeven aan studenten van Codarts, de opleiding voor moderne dans van Rotterdam, te Los Angeles opgetreden in een voorstelling van de Finse componiste Kaia Saariaho en in Brazilië gewerkt aan een filmproject met Royal Ballet-soliste Roberta Marquez. Voor hij weer in Amsterdam neerstreek, creëerde hij een nieuw werk voor studenten van de Hochschule van Frankfurt, de stad waar hij enige jaren danste bij het Ballett Frankfurt van William Forsythe.

Met die brede ervaring en zijn kwaliteiten als danser en docent is Schumacher de gedroomde promotor van de dansimprovisatie als theatrale discipline. Maandag is hij in het Bimhuis te bewonderen, waar hij met stemkunstenaar Han Buhrs curator is van de ‘Monday Match.’ Dit maandelijkse improvisatielaboratorium biedt een podium aan dansers en musici die zich na een korte repetitieperiode aan het publiek presenteren.

Een optreden van Schumacher is

eigenlijk altijd de moeite waard, ook omdat hij samenwerkt met kleurrijke figuren uit de geïmproviseerde muziek als Han Bennink, Cor Fuhler en Wilbert de Joode. Die onvoorspelbare, maffe en inventieve capriolen, waarbij de musici ook aan de dans deelnemen, zijn vastgelegd op de dvd Triple Dutch. Strikt gesproken is dat in strijd met Schumachers principes: „Dans betekent voor mij je laten meevoeren door het moment, het delen van informatie en ervaringen, zonder dat er een artefact overblijft. Hoewel het soms goed uitpakt, vind ik het meestal eng om mijn werk op video vast te leggen. Ik wil liever niet in tijd gevangen worden.”

Ondanks zijn bedenkingen realiseert hij zich dat zo’n dvd een teken is dat aandacht en waardering voor dansimprovisatie toenemen. Op korte termijn echter verwacht hij wat dat betreft geen wonderen. „In vergelijking met de muziek lopen we veertig jaar achter”, zegt Schumacher. „Mensen als Miles Davis en, in Nederland, Misha Mengelberg en Han Bennink hebben de basis gelegd voor een brede acceptatie van improvisatie in de muziek. Met onze oren kunnen we nu min of meer begrijpen hoe dat werkt, waar musici tijdelijk hun eigen weg gaan of elkaar weer opzoeken, waar, en hoe, ze een nieuw hoofdstuk beginnen. Maar als ik zeg dat ik met mijn lichaam improviseer, dan hebben de meeste mensen geen idee wat ze zich daarbij moeten voorstellen.”

Dat is ook veel lastiger, voegt hij er meteen aan toe. Dansimprovisatie omvat een veelheid van stijlen die dwars door elkaar worden gebruikt, terwijl improvisatie in de muziek vooral met jazz wordt geassocieerd. Een dergelijke kapstok ontbreekt in de dans. De verwarring bij de nieuwkomer wordt nog groter als Schumacher aangeeft naast beweging en de ruimte, ook het gehoor, de tastzin en zelfs de reukzin inzet tijdens zijn danscomposities. Pardon? Dansen met je neus?

Schumacher: „In de danskunst domineert het oog. Daarmee wordt alles beoordeeld en gemeten – is het mooi, interessant, goed uitgevoerd? Zowel dansers als publiek zijn kortom vooral gericht op kijken. Daarna komt het oor, maar muziek is in ons vak zo’n vanzelfsprekend onderdeel van de dagelijkse praktijk, dat je vaak vergeet te luisteren. Ik bedoel écht je oren te gebruiken, ook als danser. Of je nu improviseert of een vastgelegde choreografie uitvoert, er is zoveel meer om je door te laten inspireren dan alleen melodie of ritme.

„En dan heb ik het niet uitsluitend over muziek. Ook gewone geluiden – het verkeer op straat, een ruzie bij de buren – zie ik als compositiemiddelen. Wat dat betreft ben ik een echte adept van John Cage. Alledaagse geluiden roepen associaties op en de kunst is die onmiddellijk om te zetten naar beweging. Hetzelfde geldt voor de reuk. Als je je ervoor kunt openstellen, is geur een soort tijdmachine. Een geur transporteert je direct, veel sneller nog dan geluid, naar gebeurtenissen, mensen en gevoelens. Improvisatie is de vaardigheid uit de enorme bibliotheek van ervaringen en informatie die je in je hoofd hebt precies die elementen te kiezen die interessant zijn om te delen met het publiek.”

Daar raakt hij aan een heikel punt. Het komt namelijk regelmatig voor dat de toeschouwer zich bij een improvisatiesessie volkomen genegeerd voelt, een pottenkijker. Ook Kylián kent die ervaring. „Voor mij is improvisatie een middel tot een doel: de voltooide, vastgelegde choreografie. Michael ziet improvisatie als doel op zichzelf. Dat kan werken. Je ziet echter vaak dat improviserende dansers onderling de grootste lol hebben, terwijl het publiek er geen bal snapt. Omdat er geen intellectueel of structureel fundament is, en dus geen ingang, geen houvast. Hoe aardig het ook is om naar dansers te kijken die plezier hebben, voor mij is het niet genoeg. Een fundament is noodzakelijk.”

Dat is tegen het zere been van sommige improvisatoren, die niet zelden behept zijn met de egalitaire (‘eigenlijk is iedereen een danser’) en non-normatieve (‘vraag niet of het goed is, vraag waarom ik het zo heb gemaakt’) mentaliteit van de jaren zestig. In dat ludieke tijdperk verkondigden de pioniers van de Amerikaanse postmoderne dans onder meer dat het proces van creatie minstens zo belangrijk was als het product. De consequentie daarvan was dat ook improvisatie (‘instant choreography’) geschikt werd geacht voor publieke vertoning. Vragen als ‘wat is het verschil tussen een goede en een slechte improvisatie’ of ‘voor wie doe je het eigenlijk’ zijn voor de dogmatici binnen deze stroming nog steeds taboe.

Schumacher is wat dat betreft

realistischer, kritischer ook. „Martha Graham zei ooit in reactie op een stuk: ‘Darling, bewaar dat alsjeblieft voor de slaapkamer’. Ik weet niet of het over improvisatie ging, maar daar sprak zij een waar woord. Met sommige dingen moet je het publiek niet lastig vallen. Bij improvisatie is het risico van oeverloze navelstaarderij natuurlijk wel groot. Dat kun je alleen vermijden door je constant bewust te blijven van je omgeving, alert en aanwezig.”

Schumacher heeft veel geleerd van de lessen van Hanya Holm, een van de grondleggers van het Amerikaanse dansexpressionisme en leermeesteres van generaties dansers. Zij gebruikte een begrip als ‘conscious presence.’ „Geen flauw benul wat ze ermee bedoelde, maar ik maakte wel aantekeningen. Destijds dacht ik dat ik mijn ogen wijd moest opensperren en heel intens moest kijken om mezelf bewuster aanwezig te voelen. God, als ik mezelf op oude video’s zie…” Hij glimlacht geamuseerd. Om zijn handen voor zijn gezicht te slaan als hij tot zijn afgrijzen wordt herinnerd aan een uitspraak die hij deed in de documentaire Instant Steps, die regisseur Jellie Dekker in 2006 over hem maakte. Gevraagd naar zijn primaire inspiratiebron antwoordde hij daar beslist: “Me.”

„O, verschrikkelijk! Dat blijft me natuurlijk tot in lengte der dagen achtervolgen. Maar het is niet anders. Voor een wezenlijke, authentieke ervaring waar je het publiek deelgenoot van wilt maken, moet je eerst diep in jezelf graven. Om het interessant te houden, moet je wel steeds weer uit die mentale privézone stappen en analyseren wat er nodig is, wat de ander doet, waar het moment om vraagt. Je schakelt constant van je rechter naar je linker hersenhelft en weer terug. Dat maakt het zo boeiend.”

Anders dan sommige collega-improvisatoren staat Schumacher niet op voorhand wantrouwig tegenover virtuositeit. De allergie ten aanzien van de klassieke dans koesteren, is hem ook vreemd. In 1997 en 1998 trad hij tijdens diverse festivals zelfs op als partner van superballerina Sylvie Guillem, een van de grootste technische mirakels van de twintigste eeuw. Zijn klassieke achtergrond maakt hem in een improvisatiecontext vaak onbedoeld tot de blikvanger, hoezeer hij zich ook voegt naar de activiteiten van het collectief.

Zijn openheid maakt hem tot een graag geziene gastdocent op dansacademies en bij (klassieke) gezelschappen. Kylián is ronduit verrukt over de benadering van de docent Schumacher en noemt de manier waarop hij met jonge dansers werkt ‘spannend en voortreffelijk’. „Wat hij met hen bereikt is ongelooflijk, zeker gezien hun beperkte levenservaring. Michael leert hun hoe zij zélf het beste uit zichzelf kunnen halen, laat ze ronddwalen in hun ziel en hun fantasie gebruiken.”

Schumacher worstelt soms met zijn status van improvisatiegoeroe. „Regelmatig sta ik perplex van hetgeen er in een improvisatiesessie gebeurt. Als studenten naar me toekomen en vragen of ze het goed doen, vraag ik vaak wat ze zelf vonden. Of ze wel hebben gehoord dat er buiten ergens een baby huilde. Nee? Dan moet je volgende keer je oren beter openzetten en meegaan in wat je hoort, voelt, ruikt. En dan weer terugkomen om het te delen.”

Monday Match, Bimhuis Amsterdam, 2 maart, 20.30 uur. Toegang gratis. www.bimhuis.nlDvd’s Triple Dutch en Instant Steps: datarecords.nl