Met overcontrole bij ontwikkeling geneesmiddelen bereik je weinig

Het tegenover elkaar stellen van farmaceutische industrie en samenleving is een zinloze weg, meent Bert Leufkens. Je bereikt meer met samenwerken.

Trudy Dehue bekritiseert de farmaceutische industrie en de autoriteiten die de industrie controleren (Opinie & Debat, 21 febr.). Zij wijst terecht op het spanningsveld tussen publiek en privaat belang bij de ontwikkeling van geneesmiddelen. Haar conclusies deel ik echter niet.

Het is voor de samenleving belangrijk dat er door de industrie in de ontwikkeling van geneesmiddelen wordt geïnvesteerd. Die rol zie ik niet overgenomen worden door een publieke partij.

Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) beoordeelt namens de Nederlandse burger of de baten-risicobalans van een geneesmiddel acceptabel is: weegt de werkzaamheid op tegen de bijwerkingen? Dit gebeurt op basis van gegevens die door de industrie worden aangeleverd. Dehue stelt correct dat wat niet in de gegevens staat, ook niet kan worden beoordeeld. Maar het behoort tot ons dagelijkse werk om door te vragen en zonodig opnieuw eisen te stellen. Het is niet voor niets dat veel van het door de industrie gefinancierde onderzoek wordt uitgevoerd, omdat wij dat als CBG eisen.

Het CBG heeft de reputatie streng te zijn. Maar strengheid op zich levert geen betere medicijnen op. Ik kom zelden een dossier tegen waar de baten-risicobalans direct eenduidig is. Het is voortdurend zoeken naar antwoorden op vragen als ‘welke patiëntengroepen kunnen baat hebben bij dit middel?’, ‘is een gemeten effect van het geneesmiddel voor de patiënt wel relevant?’ of ‘hoe zit het met bijwerkingen op termijn?’

Ook over de bijwerkingen van antidepressiva bij kinderen – er is geen onderwerp waar wij de laatste jaren meer mee bezig zijn geweest – is de wetenschappelijke discussie nog niet afgesloten. Toch verlangt de samenleving van ons dat er beslissingen worden genomen over toelating op de markt. Maar dat is altijd een beslissing op één moment in de tijd en met een marge van onzekerheid. Het vragen naar absolute zekerheid staat gelijk aan het stopzetten van ontwikkeling van medicijnen.

Daarom herken ik de benoemde machteloosheid van de autoriteiten niet in Dehue’s kritiek. De meetlat waarlangs wij medicijnen leggen is hoog. Maar dat is nog niet genoeg. Het CBG investeert in nóg betere methoden om geneesmiddelen de maat te nemen. Daarin past het pleidooi van Dehue voor maximale transparantie van onderzoeksgegevens.

Maar dat is pas het begin. Belangrijker is te werken aan een beter model van geneesmiddelenontwikkeling. Ontwikkeling is voor de samenleving te belangrijk om de regie aan de industrie over te laten. ‘Priority Medicines’, een project van VWS en WHO (2004), heeft internationaal grote impact gehad. Het liet zien dat het een zinloze weg is om industrie en samenleving als blokken tegenover elkaar te zetten.

Daarom ben ik een voorstander van betrokkenheid van academische onderzoekers bij geneesmiddelenontwikkeling samen met de industrie. Gereguleerde publiek-private samenwerking is een betere garantie om te voorkomen dat onderzoeksgegevens in de doofpot verdwijnen dan een cultuur van overcontrole en wantrouwen.

Het fundamentele probleem van de geneesmiddelenwereld is echter – en daar heeft Dehue een punt – het geschonden vertrouwen. Daaraan te werken is ook de opdracht van het CBG, wiens positie valt of staat met vertrouwen vanuit de samenleving.

Prof.dr. Bert Leufkens is voorzitter van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG).

Het artikel van Dehue is na te lezen op nrc.nl/opinie