Met gebalde vuisten de rots af

Een van de sterke verhalen uit Nootebooms nieuwe bundel heeft te maken met Connie Palmens roman Lucifer. Maar de inzet is diametraal anders.

Cees Nooteboom: ’s Nachts komen de vossen. Verhalen. De Bezige Bij, 160 blz. € 18,90

Op den duur voeren grote schrijvers een gevecht tegen hun eigen oeuvre. Wat ze ook schrijven, alles wordt bezien in het licht van de verdiensten en vooroordelen die het vele voorgaande heeft opgeleverd. Is het nieuwe zo goed als het oude? Is het beste al geweest of overtreft de oude meester zichzelf nog één keer?

Bij Cees Nooteboom (1933), die geregeld teruggrijpt op zijn eerdere werk en het graag over zichzelf, zijn herinneringen en zijn werk heeft, geldt dat nog sterker. Bovendien verschijnt er veel over het oeuvre van Nooteboom: deze zomer een door Rüdiger Safranski bijeengebrachte keuze uit het werk (Zielsverhuizing vindt niet na maar tijdens het leven plaats), en nu ter begeleiding van ’s Nachts komen de vossen, Margot Dijkgraafs thematische overzicht Nooteboom en de anderen, vooral gebaseerd op gesprekken met en over de schrijver.

Dijkgraaf haalt de beroemde derde zin van Rituelen aan (‘Herinnering is een hond die gaat liggen waar hij wil’) en citeert Nooteboom over de werking van zijn geheugen: ‘Zelf ben ik iemand die onthoudt wat andere mensen vergeten en vergeet wat andere mensen onthouden.’ Wat voor die gaten in het geheugen komt, is de fictie.

Met de wisselwerking van de herinnering en de verbeelding van het verleden is meteen het thema van ’s Nachts komen de vossen gegeven. Het boek is wat je een ‘gewone’ verhalenbundel zou kunnen noemen, met zes verhalen en een tweeluik. En om de boekhouding maar meteen af te ronden: drie verhalen zijn goed (de eerste twee en het laatste), twee zijn matig geslaagd, ondanks memorabele zinnen als ‘In bed was hij op een tamelijk onbeholpen manier goed geweest, zoals hij, dacht ze nu, ook altijd aardig was geweest tegen zijn paard.’ Het tweeluik ‘Paula’ valt uiteen in een behoorlijk (zij het wat tam) verhaal en een tweede deel dat het eerste deel verzwakt door van alles in te vullen dat beter ongezegd had kunnen blijven.

Blijft over: het derde en dikste verhaal uit de bundel, ‘Heinz’. Dat verhaal heb ik de afgelopen vier dagen driemaal gelezen.

De Heinz uit de titel is honorair viceconsul der Nederlanden aan de Italiaanse noordwestkust, een man die op oude foto’s staat als ‘nog niet ingehaald door de drank, schalks en, nog zo’n woord, onschuldig, een glimp van boosaardigheid in die vreselijk blauwe ogen, ein Mensch’. De weifelende formulering die de verteller hier kiest is typerend voor het hele verhaal – en trouwens voor de hele bundel. Steeds weer proberen de personages het verleden terug te halen, na te gaan of het mogelijk is een verhaal te maken van ongeordende flarden herinnering. Die aan Heinz zijn relatief eenvoudig: een joviale, maar bij vlagen eenzelvige diplomaat. Een durfal ook, die ‘met gebalde vuisten’ van een hoge rots duikt en met een speedboot over de golven stuitert: ‘alsof hij de kortste weg zocht om aan die andere dodenrit die hij voor zichzelf had uitgedacht te ontkomen’. Die andere dodenrit – met alcohol als brandstof – zal hij voltooien. Nooteboom beschrijft die ondergang meesterlijk, met op de achtergrond een jonggestorven vrouw, een verstandshuwelijk en een verlangen naar een ver eiland.

Het verhaal bevat ook een paar merkwaardige elementen. Zo begint het met de zin ‘Eerst een ronde bedrog’. In een proloog doet de verteller (een Nederlandse reiziger met een huis in Heinz’ streek) een poging om aan de hand van een groepsfoto waarop de viceconsul staat, te bepalen wat voor man het zal zijn, of er iets van zijn leven uit de foto af te leiden is. Dat werkt niet, concludeert de verteller, waarna hij toegeeft zelf ook bij de groep te horen. Die poging om de feiten te ontwijken is exemplarisch voor ’s Nachts komen de vossen, maar heeft in dit verhaal ook een andere betekenis. Die hangt samen met het lot van de gestorven eerste vrouw van Heinz: ‘Een elf, een lichtgestalte’ wordt deze Arielle genoemd: ‘Iemand die niet op de rotsen had kunnen doodvallen, omdat doorzichtige mensen niet kunnen sterven’.

Hé, een vrouw die te pletter valt op de rotsen aan de Middellandse zeekust? Dat doet de hedendaagse romanlezer aan een ander boek denken. Zeker als je daar de vriendengroep, de onduidelijke achtergrond en de reconstructie achteraf bijvoegt: dit verhaal heeft te maken met Connie Palmens Lucifer. Die omstreden roman over de mysterieuze dood van de echtgenote van componist Peter Schat werd twee jaar geleden door Nooteboom ten doop gehouden; hij speelt in dat boek ook een rol.

De overeenkomst maakt dat je de vragen uit Lucifer – en vooral de hamvraag: werd de vrouw geduwd of stierf zij door een ongeluk – dadelijk ook op ‘Heinz’ gaat betrekken: wat schuilt er precies achter de dood van zijn eerste vrouw? Heeft hij daar zelf iets mee te maken gehad? Is dat de reden waarom hij zich later dood drinkt? Het opmerkelijke van Nootebooms verhaal is echter dat hij die vragen langs indirecte weg wel opwerpt, maar geen enkele poging doet de antwoorden te geven. Dat is ook waarom het zo’n prachtig verhaal is, trouwens.

Nooteboom doet het tegenovergestelde van wat Palmen in Lucifer deed. Zij gaf iedere poging tot antwoord, elk kleinste gerucht, een plaats in haar roman. Nooteboom doet juist een stap terug, toont de wond in het leven van zijn hoofdpersoon, maar weigert die verder in te vullen. Dat kun je zien als verholen kritiek op Palmen, maar volgens mij wil Nooteboom hier vooral uiting geven aan zijn eigen poëtica.

Het verhaal plaatst het citaat uit het boekje van Margot Dijkgraaf net in een ander daglicht. Nooteboom zegt dat hij zich veel dingen niet herinnert, maar misschien gaat het er juist om dat hij zich bepaalde zaken niet wil herinneren. Niet omdat ze pijnlijk zijn, maar omdat zijn verhalen beter gedijen bij leegte in de kern.

Margot Dijkgraaf: Nooteboom en de anderen. De Bezige Bij, 72 blz. € 15,-