Kosten van de Koning

Dankzij ex-minister Zalm weten we sinds vandaag wat het Koninklijk Huis jaarlijks kost: 39 miljoen euro. De nieuwe topman bij ABN Amro presenteerde vanochtend een nieuw stelsel van de kosten van het Koninklijk Huis.

Volgens Zalm is zijn advies een ‘technisch-ambachtelijk’ werkstukje over een politiek gevoelig onderwerp. Daarin had hij gelijk. Het ambacht ‘begroting maken’ lijkt sprekend op het ambacht klokken maken. Hij heeft met zijn advies laten zien hoe laat het is. Met uitzondering van beveiliging en huisvesting, moeten voortaan alle uitgaven voor de monarchie ressorteren in een nieuw Begrotingshoofdstuk 1. Dat zal simpel weg ‘De Koning’ heten.

Daarmee wordt voor de grondwettelijke terminologie en een nuchtere benadering gekozen. Aan (journalistieke) speurtochten in de rijksbegroting naar de kosten van het koninklijk jacht (Defensie), de hofhouding (Binnenlandse Zaken) of de koninklijke vliegreizen kan nu een einde komen. Ongetwijfeld was dat ook de reden om deze opdracht aan een gezaghebbende buitenstaander te verlenen.

Maar met het advies in handen is de vraag gerechtvaardigd of de premier hier niet zelf én eerder op had kunnen komen. Feitelijk is het niet meer dan een herordening van een aantal begrotingsposten onder een aangepaste noemer. Wegens de ‘gevoeligheid’ is staatsrechtelijk juist de premier aangewezen als politiek verantwoordelijke. Hoewel er al jaren rumoer is rond de kosten van de monarchie slaagde de premier er tot nu toe niet in een heldere maatregel te nemen. De eenvoud van het advies toont ook aan hoe makkelijk het was geweest eerder voor opheldering te zorgen. In het nieuwe kostenstelsel staat voortaan vrijwel alles in het nieuwe Hoofdstuk 1 bij elkaar. Dat paleizen bij de Rijksgebouwendienst worden verantwoord en de beveiliging bij Justitie is begrijpelijk.

Het publieke debat over vliegen en varen door leden van het Koninklijk Huis ‘op onze kosten’ wordt voortaan niet meer gehinderd door onwetendheid over de hoogte van die kosten. De spreiding van de kosten over diverse departementen wekte bovendien verkeerde associaties: alsof het totaal te hoog zou zijn om ervoor uit te willen komen.

Daarom heeft de uitkomst van de optelsom ook politieke betekenis. Die is niet heel groot, maar hoeft ook niet klein te zijn. Een koningshuis kost kennelijk 39 miljoen. Dat is bijna net zoveel als de belastingbetaler jaarlijks uittrekt voor het Waddenfonds. De Hoge Colleges van Staat kosten makkelijk twee keer zoveel. Uit het Waddenfonds betaalt het ministerie van Landbouw ecologische projecten rond de Waddenzee. Dat is, inderdaad, van een andere orde.

Toch ligt de belangrijkste verdienste van dit advies in het totaalbedrag. Over 39 miljoen euro als uitgave voor het staatshoofd kan de burger nadenken. Uiteindelijk is iedere politieke keuze ook een afweging tussen kosten en baten.

Wie ooit een republiek zou willen begroten, weet nu tenminste wat een constitutionele monarchie kost.