Jij, overvaller, vergiffenis? Loop toch naar de hel

Daniyal Mueenuddin: In Other Rooms, Other Wonders. Bloomsbury, 239 blz. € 20,85

Een kunstmatig strandje neerleggen omdat je een feestje geeft met als thema ‘de nacht van de tsunami’, dat klinkt weinig empathisch. Maar om empathie is het de Pakistaanse debutant Daniyal Mueenuddin helemaal niet te doen in zijn verhalenbundel In Other Rooms, Other Wonders. In acht verhalen lijkt hij de verschillende lagen binnen de Pakistaanse maatschappij een voor een te karakteriseren.

Als rode draad fungeert K.K. Harouni, een grootgrondbezitter die niet alleen zeer rijk is, maar ook erg blij met zichzelf. Alle personages zijn met hem verbonden; zo komt een van zijn bedienden aan het woord, die na veel gesoebat eindelijk een brommer heeft gekregen. Op een van zijn brommertochten wordt de man beroofd en neergeschoten, een aanslag die hij wonderbaarlijk genoeg overleeft. De overvaller daarentegen legt dezelfde avond nog het loodje. Wanneer hij vlak voor zijn sterven om vergiffenis vraagt, is het antwoord van de bediende ‘nee, loop naar de hel’. Beiden hebben hun keuzes gehad in het leven, zo redeneert de bediende. De overvaller koos het verkeerde pad en diens pijnlijke dood is pure gerechtigheid.

Je zou dit verhaal kunnen interpreteren als een moraliteit over de machteloosheid van de arme Pakistaan, maar dat is te beperkt. Want wat ze – behalve Harouni – met elkaar verbindt, is dat ze vrij zijn van morele of politieke boodschappen (met uitzondering van geestige terzijdes als ‘Ik lees graag de Pakistan Times omdat die me in het geheel geen informatie geeft, tenzij door de regering gesponsord’).

Mueenuddin stelt vooral de weerbaarheid van mensen aan de orde, het loslaten van tradities of familieverleden en het naar je hand zetten van de werkelijkheid. Dat laatste gaat overigens meestal met hetzelfde gemak weer fout. De meeste jonge vrouwen bijvoorbeeld, maken in dit boek een goede kans hogerop te komen, of tijdelijk een beter leven te hebben. Seks als machtsmiddel is daarbij uiterst effectief, totdat de ouderdom toeslaat en je genadeloos wordt afgedankt.

Zo ook in het titelverhaal waarin Harouni zelf centraal staat. Eenzaam, oud en rijk geniet hij van het gezelschap van een jong meisje dat boven zijn garage mag wonen. Zo lang het de oude man goed gaat, gaat het haar ook goed. Ze weet steeds meer invloed te krijgen, bedienden moeten haar respectvol behandelen en ze verzamelt behoorlijk wat kostbare spullen. Wanneer Harouni echter sterft, kan ze na een gesprek met de drie dochters haar koffers pakken. Even overweegt het meisje weg te gaan zonder de spullen, maar met behoud van eergevoel. Dat lukt haar niet: de aantrekkingskracht van het bezit overwint.

Het zijn stuk voor stuk intrigerende verhalen, mooi opgebouwd, strak geschreven, en als lezer word je snel meegenomen in een leven. Hoe authentiek het inkijkje in de Pakistaanse samenleving is, is moeilijk te zeggen. Mueenuddin richt zich namelijk duidelijk op de westerse lezer. Dat merk je aan de bij vlagen 19de-eeuwse opbouw van de verhalen, die soms een naturalistisch slot hebben, maar vooral aan het feit dat Mueenuddin het nodig vindt specifiek islamitische gebruiken toe te lichten. Zo meldt de verteller dat het in de islamitische cultuur de gewoonte is om iemand zo snel mogelijk te begraven, alsof er een voetnoot bij het verhaal geplaatst moet worden. Misschien vreesde Mueenuddin obscuur gevonden te worden.

Eén ding staat vast: een tijdlang leek India de betere literaire kaarten in handen te hebben, maar met de recente werken van Moshin Hamid, Mohammed Hanif, Nadeem Aslam en nu ook Daniyal Mueenuddin is er in Pakistan een generatie opgestaan die het land een steeds sterkere literaire traditie geeft.