Even de spuit in de stembanden

Nieuw op cd: honderd grote tenoraria’s door zangers van heden en verleden. Vooral verleden, lijkt het. Nieuwe tenoren branden binnen vijf jaar op. „Je kunt best van een tenorencrisis spreken.”

In juni 2004 zong tenor Rolando Villazon de titelrol in Verdi’s Don Carlo bij De Nederlandse Opera. Een historische productie was het, door kranten unaniem bejubeld. Villazon was „fysiek en vocaal verbazingwekkend” (NRC), met „een stem die het marmer om hem heen had kunnen doen scheuren; een wereldster in de dop”. (Trouw).

Natuurlijk legde De Nederlandse Opera Villazon vast voor een volgende grote Verdi-rol in Un Ballo in Maschera. Maar Villazon zegde af. Overbelasting had geleid tot een stemcrisis. Hij deed er een half jaar letterlijk het zwijgen toe, maar ook sinds zijn rentree – nu driekwart jaar geleden – waren er alweer teleurstellende voorbeelden van vocale overstrekking. „Villazon is na een carrière van koud vijf jaar uitgezongen”, zegt Mauricio Fernandez, directeur casting van de prestigieuze operaserie van de ZaterdagMatinee van het Concertgebouw. In Nederland zijn daar vaak de beste zangers te beluisteren.

Fernandez: „De druk op tenoren is enorm. Het lot van Rolando Villazon is eerder regel dan uitzondering. ”

Overbelasting – dat is het grootste probleem van de moderne tenor, vindt ook Hein Mulders, directeur casting bij De Nederlandse Opera. „De tenor is de witte raaf onder de stemtypes. Vroeger waren er niet méér dan nu, maar maakte men meer stapsgewijs carrière. De stem kon rijpen. Nu wordt er aan de paar goede én goed uitziende tenoren die opstaan te snel te hard getrokken, waardoor velen niet aan de top blijven.”

Theo van den Bogaard, directeur van het in opera gespecialiseerde impresariaat Alferink, beaamt dat. „Voor operahuizen onderling is het vaak prestigieus zangers als eerste te ‘strikken’ voor een zwaardere rol. Maar dat is doorgaans niet in het belang van die betreffende zanger. Toen de Hongaarse tenor Szabolcs Brickner – een lichte, jonge stem – vorig jaar het Elisabeth Concours won, mocht hij aan de opera’s in Brussel en Lyon meteen Rodolfo in Puccini’s La Bohème komen zingen. Op ons advies heeft hij geweigerd. Maar je kunt je voorstellen dat het voor een 27-jarige lastig is nee te zeggen tegen een maand werk voor 65 duizend euro.”

De schaarste en de teloorgang

van de tenorstem is één van die mythes die hardnekkig rondzingen. Maar is het waar? „Je kunt wel spreken van een crisis in de tenorenwereld”, zegt Mauricio Fernandez (Matinee). „Ten opzichte van tien jaar geleden is het nóg moeilijker geworden om goede Puccini- en Verdi-tenoren te vinden – ook omdat de vraag zo groot is. Elk operahuis wil die opera’s brengen. Over het laat-romantische Duitse repertoire heb ik het dan nog niet eens; daarvoor is het zo goed als onmogelijk om de juiste zangers te vinden.”

De soms opgeworpen voedingstheorie – dat moderne voeding leidt tot langere mensen met langere en dus lager klinkende stembanden – stuit op weinig bijval. Impresario Van den Bogaard: „Het lijkt me onzin. Toptenoren als Ben Heppner of Stephen Gould zijn bomen van kerels. Maar die zingen ook het zwaardere repertoire.”

Harm Schutte, emeritus hoogleraar spraak- en stemgeneeskunde, is minder sceptisch. „Als mensen gemiddeld 3 centimeter langer zijn geworden, kan dat leiden tot een kleinere kans op tenorstemmen. Een tenor is gebaat bij een korte nek. Klassieke Italiaanse tenoren zijn ook meestal korter. Als het aanzetstuk, het stuk tussen de stemplooien en lippen, korter is, kun je makkelijk een hoge resonantie bereiken.”

Dus zul je in landen met gemiddeld kortere mannen meer tenoren zien? Schutte: „Ja. En in Zweden zullen het er minder zijn. Maar daar zingt men juist weer veel, waardoor het effect afvlakt. In Nederland wordt óók veel gezongen, maar vooral door vrouwen. Mannen voetballen liever dan ze zingen. Dus kampen veel amateurkoren óók met een tenorentekort.”

Net als Schutte, denkt ook stempedagoge/coach Margreet Honig, internationaal werkzaam aan verschillende zangopleidingen, dat de tenorstem van nature schaars is. „Dat heeft niks met voeding te maken; de kortere stembanden die horen bij de tenor, komen ongeacht lichaamsgrootte minder vaak voor. Vaak zijn het wat kleinere mannen, maar je kunt dat niet generaliseren: ik geef ook les aan een fantastische tenor die juist lang en mager is.”

Wat in het tekort aan tenoren wel een rol zou kunnen spelen, zijn, vermoedt ze, externe omstandigheden. „Neem de zangopleiding. Grote tenoren van vroeger – Fritz Wunderlich, Peter Pears – hadden zo’n typische, lichte tenorklank. Een modern voorbeeld is Jonas Kaufmann. Maar hij is een zeldzaamheid. We leven in een tijd waarin zangers veelal gestimuleerd worden hun stem op volle kracht ‘door te trekken’ naar het hele lichaam. Maar als je hard drukt op een stem, gaat het juist mis. Tegen mijn tenorstudenten zeg ik: houd het licht. Beperk je zo lang mogelijk tot Donizetti en Mozart. De rest komt dan vanzelf wel. Later.”

Ook de in potentie desastreuze invloed

van dirigenten moet niet onderschat worden, zegt Mauricio Fernandez (Matinee). „Er zijn er genoeg die een symfonieorkest ongetemd op een stem loslaten. Dat kan verwoestende effecten hebben op een stem.”

Stem- en spraakgeneeskundige Harm Schutte: „Daar komt het steeds harder spelen van orkesten in steeds hogere stemming dan nog bij.” Maar het beruchte ‘stukzingen’ van de stem door overbelasting, daar gelooft Schutte niet in. „Stemmen kunnen veel hebben, als je maar voldoende rust neemt. Stress heeft wel invloed op de stem, de ademsteun – alle belangrijke facetten van professioneel zingen. Daar moet je mee leren omgaan en als dat mislukt treedt onbalans op. Dan verkrampt de stem, en wordt de vrijheid van de vocale beheersing beperkt. Maar echt ‘stuk’-zingen – nee. Ik geloof niet dat je stembanden zo makkelijk kapot maakt.

„Ik heb tachtig tenoren onderzocht. En wat blijkt: de echte tenor is gewoon uitermate zeldzaam. Er waren er velen die de hoge bes van Radames in Verdi’s opera Aida eigenlijk niet goed haalden. Pavarotti kon dat wel. En niet incidenteel, maar altijd – en met gemak. Bij Placido Domingo ligt dat al anders; hij is eigenlijk al niet zo’n échte tenor. Ik denk dat dat bij veel ‘tenoren’ het probleem is. Dat ze van nature eigenlijk hoge baritons zijn, die die hoge noten er misschien wel één keer uitpersen, maar niet bij herhaling.”

Bij opera-impresariaat Alferink is de natuurlijke tenorenschaarste een dagelijks fenomeen. Theo van den Bogaard: „Jaarlijks melden zich bij ons op honderd sopranen en alten, tien baritons aan, één bas en één tenor. Die laatsten krijgen onmiddellijk een contract, want er is meer dan genoeg werk. Als lyrische sopraan moet je alles kunnen: én een prachtstem hebben, én goed acteren, én mooi zijn. En zelfs dat is onvoldoende; doe je auditie aan een operahuis in een soepjurk, kun je het óók schudden, merk ik. Maar tenoren en bassen komen zo aan de bak – ook als zij muzikaal en theatraal nog niet helemaal overtuigend zijn.”

Maar er is een voorwaarde. Ook tenoren moeten er goed uitzien. Althans, in Noordwest-Europa, waar bij de meeste operahuizen regisseurs een belangrijke stem hebben in de casting. „We leven in een tijdperk van typecasting”, beaamt Hein Mulders van De Nederlands Opera. „Tenoren zingen vaak de rol van de romantische held, de prins, de jeune premier. Dan kan ik niet aankomen met iemand die het corpulente cliché van de operazanger belichaamt – al is de stem nog zo mooi. Dus zoek je door totdat je het compromis vindt: iemand die én er goed uitziet én een mooie stem heeft. Bij I Puritani werkte dat: John Osborn vindt het heerlijk om te zingen en hoeft niet te forceren. Zo’n zanger wens je je voor iedere rol.”

De ZaterdagMatinee heeft het probleem met uiterlijk niet; daar zong bij voorbeeld de Amerikaanse tenor Stuart Neill met veel succes in een concertante uitvoering van I Puritani. Bij De Nederlandse Opera zou hij met zijn Pavarotti-postuur waarschijnlijk geen kans hebben gekregen. Fernandez: „Voor ons telt de kunstenaar. Als iemand er minder gefortuneerd uitziet, speelt dat geen rol. Volgens mij zou een groot deel van het betalend publiek óók niet malen om een minder knappe tenor als die wél zeer communicatief en muzikaal zingt. Maar zo wordt er binnen de operahuizen helaas niet over gedacht.”

De situatie onder tenoren is niet overal hetzelfde. In genres als lied en oratorium lijkt de nood wat minder hoog dan in de operawereld. „Onder de Engelse en Duitse tenoren zie ik geen teruggang in kwaliteit”, aldus impresario Theo van den Bogaard. „Als je Peter Pears vergelijkt met Mark Padmore of Ian Bostridge nu, is de kwaliteit minstens gelijk. In Duitsland geldt hetzelfde. Michael Schade doet niet onder voor Fritz Wunderlich. Maar voor de Italiaanse tenoren ligt dat anders. Zangers als Beniamino Gigli en Tito Schipa zijn er niet meer.”

Oorzaak? De druk van het hedendaagse operasysteem. Van den Bogaard: „Vergelijk het met voetballers: net als allrounders Pelé, Cruyff en Maradona konden ook zangers als Gigli en Schipa alles; zacht en mooi, hard, muzikaal, hoog – alles. Maar zij leefden in een tijd dat zangers het voor het zeggen hadden. Ze hadden les van elkaar of van éénzelfde leraar, reisden eens per jaar naar de Metropolitan Opera in New York en hadden verder alle tijd en rust om de totale beheersing van de stem onder controle te krijgen. Nu ligt de macht bij de regisseur en, afgeleid daarvan, dirigent en management. De zanger heeft weinig meer te zeggen.”

En in die context leidt schaarste tot meer schaarste. Juist omdat er zo weinig goede jonge tenoren zijn, wordt iedereen met talent en potentie meteen de nieuwe Domingo genoemd. Gevolg: veel media-aandacht, veel reizen, veel nieuwe rollen. De ‘nieuwe Domingo’s’ van de laatste jaren – Joseph Calleja, Ramon Alvarez, Rolando Villazon – stuitten allen op stemproblemen. Impresario Van den Bogaard: „En men gaat heel ver om dan toch door te kunnen. Veel zangers prikken regelmatig een cortisonespuit in hun stembanden om die spieren even aan te sterken voor een belangrijke première, of om net even door een verkoudheid heen te kunnen zingen.”

Hoogleraar stem- en spraakgeneeskunde Harm Schutte: „Als dat nodig is om te voorkomen dat tweeduizend mensen naar huis moeten worden gestuurd, snap ik het wel. Maar op lange termijn zou ik zulke middelen niet aanraden. Je stemplooien kunnen ervan uitdrogen, je bijnieren kunnen ontsteken, je kunt er dik van worden. Gedestilleerd water is beter.”

Bij het Groot Omroepkoor

en het koor van De Nederlandse Opera zijn ze altijd op zoek naar goede tenoren. Directeur Monica Damen van het omroepkoor: „Wij hebben vacatures voor vijf tenoren, en dat is al tijden zo. Het is helaas niet zo dat tenoren die als operasolist niet slagen, zomaar bij een koor aan de slag kunnen. Ensemblezang is een vak apart. Je stem moet mengen, en inzetbaar zijn voor meertalig repertoire van Bach tot Wagner en Adès. Bij tenoren uit het Oostblok of Azië is die talenkennis vaak een probleem. Maar aan de conservatoria hier in Nederland studeren nauwelijks tenoren meer.”

Damen ziet meer oorzaken. „Als er op scholen niet meer wordt gezongen, hoe kom je dan überhaupt op het idee om professioneel zanger te worden? En dan is er nog de vervrouwelijking van het muziekvak. Voor instrumenten is dat geen probleem, maar voor koren wél. Ik zeg wel eens voor de grap: straks kunnen we alleen nog muziek voor vrouwenkoor zingen.”

Bij het Nederlands Kamerkoor zijn wel vijf tenoren in vaste dienst, en daarmee is het koor ‘vol’. „Tenorenschaarste – ik merk er niks van”, zegt artistiek leider Leo Samama. Ook hem valt de sterke opmars van vrouwen in het muziekleven op. „Ook bij ons doen er aanmerkelijk meer vrouwenauditie. Een verklaring daarvoor heb ik niet, anders dan dat vrouwen zingen leuker vinden. Maar verder? Ik las laatst dat de moderne man toekan met minder testosteron om aan een erfopvolger te komen – om het zo maar te zeggen. Dat zou moeten betekenen dat stemmen juist hoger worden, en in de popmuziek zie je dat ook. Mijn jongste zoon deed mee aan Idols, en toen viel me op: allemaal hoge stemmen. Laag zingen heeft voor jongeren geen sexappeal. ”

Monica Damen (Omroepkoor): „Voorlopig scouten we zangers als ze nog op het conservatorium zitten. Maar een klassieke Idols ? Ja, daar denken we serieus wel eens over na.”

EMI: 100 Best Tenor Arias (50999 2 42720)