Een ijdeltuit op Indiëvaart

Commandant Maurits Ver Huell maakte één reis naar Indië, maar kwam terug met een reisverslag en een serie aquarellen – nu voorbeeldig heruitgegeven.

Chris F. Fraassen, Pieter Jan Klapwijk (red.): Herinnering aan een reis naar Oost-Indië. Reisverslag en aquarellen van Maurits Ver Huell, 1815-1819. Walburg Pers/Linschoten-Vereeniging, 701 blz. + cd-rom. € 55,-

Hij was geen Rumphius, geen Valentijn, geen Junghuhn, en ondanks een heel leven bij de marine zelfs geen echte zeeman. Hij had maar mondjesmaat de talenten meegekregen van de grote ‘koloniale’ voorgangers die als amateur-natuurvorsers of als navigatoren de wetenschap bij wijze van spreken vóór waren, en op hun reizen naar en in de tropen een wereld beschreven die pas later werkelijk ontdekt zou worden.

Quirijn Maurits Rudolph Ver Huell (roepnaam Maurits) heeft tussen 1815 en 1819 onder andere als commandant van het linieschip Admiraal Evertsen maar één Indiëvaart volbracht. Net als de beroemde voorvaderen uit de 17de en 18de eeuw verzamelde hij op Java, Celebes en de Molukken talloze ‘naturalia’ – planten, bloemen, kruiden, vruchten, insecten, reptielen en amfibieën die hij thuis nooit was tegengekomen. Op de terugweg bleek zijn schip na zware averij (niet zijn schuld) zó weinig zeewaardig, dat het verlaten moest worden. Alle naturalia gingen verloren, net als het merendeel van de aquarellen die hij in Indië van alle zeldzame voorbeelden van flora en fauna had gemaakt. Alleen al daarom zou Maurits nooit, zoals Rumphius, een waardevol Amboinsch Kruidboek nalaten, of zoals Valentijn het encyclopedisch verzamelwerk Oud en Nieuw Oost-Indiën. Hij zou na die ene reis ook nooit meer naar de zee terugverlangen. Net terug in patria weigerde hij om te beginnen het commando over een fregat, zogenaamd omdat hij een fregat beneden z’n stand vond. Maar hij aanvaardde wel het toch ook niet erg prestigieuze ambt van onder-equipagemeester in Rotterdam, liet zich na een aantal jaren promoveren tot dé equipagemeester, en bracht het nog tot directeur van de Rotterdamse marinewerf: een zeeman aan wal. Na z’n pensionering keerde hij ook de kust de rug toe, en vestigde zich in de streek waar hij was geboren: de Gelderse landprovincie. Hij stierf in 1860, in Arnhem. Hij was 73 geworden.

In de jaren dertig van de eeuw schreef hij – toch de traditie van de Indië-gangers uit het voorgeslacht – alsnog zijn Herinneringen van ene reis naar de Oost-Indiën. En de Linschoten-Vereeniging (die vorig jaar haar eeuwfeest vierde) gunde hem ter ere van haar jubileum de heruitgave van het reisverslag in een editie die voldeed aan alle eisen van de (wetenschappelijke) verzorgdheid, zoals men van de Vereeniging gewend was. Meer dan honderd aquarellen – de meeste door Ver Huell uit het geheugen opnieuw getekend en nu in bezit van het Maritiem Museum Rotterdam – zijn als een afzonderlijk katern in het boek opgenomen, en tegen de achterkaft zit nog een cd-rom geplakt waarop het leven van Maurits door Chris F. van Fraassen (een van de bezorgers) gedetailleerd uit de doeken wordt gedaan onder de titel Een romanticus bij de marine.

Was Ver Huell zo’n prachtboek waard?

Er zijn in ieder geval twee historische redenen waarom zijn reis extra aandacht verdiende. Het was de eerste formele Indiëvaart namens het Koninkrijk der Nederlanden, dat immers de lusten en de lasten van de oude VOC had overgenomen; en aan boord van het kleine konvooi bevonden zich de drie commissarissen-generaal die in Batavia de macht weer overgedragen zouden krijgen van de Engelsen (in casu de luitenant-gouverneur-generaal Thomas Raffles) die na de annexatie van Nederland door het Franse keizerrijk het bewind in Indië voor hun rekening hadden genomen.

Jammer is alleen dat Ver Huell in zijn Herinneringen die historische momenten vrijwel onvermeld laat. Van de oude Compagnie is in zijn terugblik nauwelijks sprake, en de overdrachtsbesprekingen (die door de Engelsen overigens nog een aantal maanden werden getraineerd) heeft hij óf als ondergeschikte niet mogen bijwonen, óf hij heeft ze zelf niet interessant genoeg gevonden. De omissie wordt op de cd-rom goedgemaakt door biograaf Fraassen, maar ook die beschikte dus niet over de directe bron die Ver Huell had kunnen zijn. Ver Huell herinnert zich één bezoekje aan ‘Rijswijk’, zoals toen het Indische bestuurscentrum werd genoemd, maar krijgt daar niet eens de commissarissen-generaal te zien, laat staan te spreken. Tijdens een rondleiding blijken hem vooral de ‘kristallen kroonluchters’ te hebben geïmponeerd alsmede een ‘Oost-Indische dame’ gekleed in sarong en kabaai, van wie ’de haren los hangen’. Van Fraassen heeft hem dan al getypeerd als iemand die nooit vies is geweest van vrouwen.

Het staat wel vast dat hij niet was aangewezen om een rol te spelen bij de onderhandelingen met Raffles. Het Nederlandse konvooi was in mei 1816 voor Batavia aangemeerd, en al in juli kreeg hij opdracht om als eerste officier scheep te gaan richting Madura, en vandaar via Makassar naar de Molukken. Vooral over die eilandengroep binnen de archipel (Jan Pieterszoon Coen moest er in de vroege 17de eeuw al met ijzeren vuist het Hollandse gezag laten gelden) heeft Verhuell in zijn memoires ampel uitgeweid: als nieuweling, als verzamelaar van bloemen en beestjes, en als bevelhebber van een bescheiden leger dat een eind moest maken aan de guerrilla-activiteiten van de opstandige inlanders – ‘muitelingen’, zoals Ver Huell ze noemt – wier voorouders generaties lang telkens weer hebben geprobeerd het profijt van de kruidnagel niet helemaal aan de belanda’s te laten.

De overwegend primitieve krijgshandelingen gedurende de zogenaamde Pattimura-oorlog (die overigens pas eindigde toen vanuit Batavia de nodige versterkingen waren verscheept) zijn door Ver Huell droogjes opgeschreven. Van Fraassen portretteert hem dan wel als een romanticus, maar je leest weinig ‘romantiek’ van de memoires af. Van Fraassen noemt hem ook een enigszins verwende, op zichzelf gerichte ijdeltuit, en dat zal hij zeker geweest zijn.

Nadat hij als jongeling door zijn vader naar de marine-opleiding in Den Helder was gestuurd (waarom daarheen?) trof het dat zijn oom Carel Hendrik, ondanks het orangistische familieverleden, als schout- bij-nacht niet alleen in aanzien kwam staan bij de marine van de Bataafse Republiek, maar na de annexatie door Frankrijk ook bij Napoleon. Toen Carl Hendrik zijn neefje in 1805 aan de aanstaande keizer voorstelde, zou deze gezegd hebben: ‘Vous n’êtes pas encore officier?Eh bien, vous le serrez bientôt, mon ami’.

Als Napoleon zulke dingen tegen je zei, wás je het al bijna. En zo ging het ook met Maurits – maar tien jaar later stagneerde z’n promotietraject. Oom Carel bleef na Waterloo trouw aan de geest van Napoleon, en zette z’n carrière in Frankrijk voort, dus Maurits (die zonder problemen de overschakeling van het Franse bewind naar de monarchie van Willem I onderging) was z’n kruiwagen kwijt.

Typerend voor de jonge Ver Huell is misschien wat hij in z’n herinneringen noteert als zijn schip op de terugreis, 1819, St Helena aandoet, en hij als gast aan het ontbijt wordt genodigd door gouverneur-gevangenisbewaarder Hudson Lowe, bij wie het ‘zeer stijf en gedwongen’ toegaat, en die als hij het over z’n grote gevangene heeft niet van keizer Napoleon, maar consequent van ‘den generaal Bonaparte’ spreekt.

Zou Maurits niet hebben teruggedacht aan de dag dat Napoleon hem een grote loopbaan op zee beloofde? ‘Weinig werd hier van den wereldberuchten banneling gesproken’, stelde hij vast op het eiland waar Napoleon toen nog een paar jaar te leven had. ‘Alleen de tegenwoordigheid van eene buitengewone menigte troepen en de drokte die overal heerschte, deed genoegzaam blijken, dat zich iets op dit eilandje bevond waarin een groot belang gesteld werd’.

Ook als stilist was Ver Huell geen Rumphius, geen Valentijn en geen Junghuhn. Maar de meer dan honderd aquarellen – werk van een zondagschilder op zee – blijven getuigen van hoe verwonderde Hollandse nieuwkomers het Indië van twee eeuwen geleden ondergingen.