Berlijn conserveert kogelgaten en granaten

Het Neues Museum was een Berlijnse oorlogsruïne. Het wordt herbouwd, maar in oude, gehavende staat.

Een restaurateur wroet geconcentreerd met een penseel in een krater in de muur van een Berlijns museum. Hij conserveert de inslag van een kogel; een gewelddadige herinnering aan april 1945, toen hier van deur tot deur gevochten werd.

Hoe behoud je kogelgaten en granaatinslagen voor de eeuwigheid? Het was een van de vele vragen die de Britse architect David Chipperfield moest beantwoorden toen hij elf jaar geleden de opdracht kreeg het Nieuwe Museum (Neues Museum) in Berlijn te herbouwen. Het antwoord: door ze te fixeren met tweecomponentenhars.

„Het was een oorlogsruïne. Deels compleet verwoest, deels door bommen en weer en wind zwaar beschadigd. Maar hier en daar waren nog intacte delen. Het was bij elkaar een merkwaardig geheel”, vertelt Chipperfield (55) tijdens een rondleiding door het inmiddels gerestaureerde, maar nog lege museum.

Het herstel van het Nieuwe Museum, dat in totaal 233 miljoen euro kostte, is z’n levenswerk geworden. Het bleek zo’n groot project dat het hem bijna boven het hoofd is gegroeid. Zijn eerste indruk in 1997 was „een Pompejaanse ruïne”. De plannen voor sanering ervan waren vastgelopen in politieke ruzies. De architect moest niet alleen een gebouw, maar ook stedelijke relaties herstellen.

Chipperfields voorstel voor restauratie en herbouw van het Nieuwe Museum stuitte aanvankelijk op tegenstand. Klassieke herbouw, zoals tot dat moment gebruikelijk was bij veel renovatieprojecten in Berlijn, wees hij af. Dat vond hij „te klinisch, te kil”. Zijn uitgangspunt was restauratie met instandhouding van alle details die het pand z’n unieke historische waarde hadden gegeven. Nieuwbouw zou alleen daar komen waar complete verwoesting heerste.

Vervolg Berlijn: pagina 9

‘Je ziet er de lagen van de geschiedenis’

Vervolg Berlijn van pagina 1

De architect beklopt liefdevol een zandstenen muur. De lijsten ervan zijn gerestaureerd, het middenstuk met kogelinslagen is oud maar grondig gereinigd, de zijpanelen zijn nieuw. Chipperfield heeft geen moeite gedaan de muur tot één geheel te maken. „Wat je hier ziet zijn de lagen van de geschiedenis. Die brengen dit gebouw tot leven.”

Restauratie tot en met de kogelinslagen: dat betekende dat de oorlog voorgoed zichtbaar zou blijven in het Nieuwe Museum. Tot ongenoegen van degenen die dat nu juist niet wensten. Ook Chipperfields nieuwbouw aan het sterk verwaarloosde pand werd bekritiseerd. Door zijn ontwerp van een glazen ingang aan de westzijde dreigde het gebouw van die kant grotendeels aan het zicht te worden onttrokken. Onder druk van de Berlijnse handtekeningenactie ‘Red het Museumeiland’ maakte de architect een nieuw entreeontwerp. En dat viel wel in de smaak.

Nu is het binnenwerk aan ‘zijn’ museum praktisch volbracht. Volgende week is de sleuteloverdracht aan de eigenaar, de Stichting Pruisisch Cultuurbezit. De komende maanden zullen worden gebruikt om de grote Egyptische collectie onder te brengen, waaronder de beroemde buste van koningin Nefertete. In oktober van dit jaar is de officiële opening.

Het Nieuwe Museum is het derde grote saneringsproject op het museumeiland in Berlijn, waar vijf musea staan: Bode-Museum, Pergamonmuseum, Alte Nationalgalerie, Neues Museum en Altes Museum. De musea worden jaarlijks door miljoenen bezocht, voorzover ze niet dicht zijn vanwege renovatie. Ook het Nieuwe Museum zal naar verwachting een echte publiekstrekker worden. De belangstelling ervoor is nu al immens.

Het gebouw is een ontwerp van Friedrich August Stüler, een leerling van de beroemde Pruisische architect Schinkel. Het museum werd tussen 1841 en 1859 gebouwd en geldt als als Stülers belangrijkste werk. Het heeft jarenlang in de steigers gestaan. Chipperfield heeft geprobeerd zoveel mogelijk van het origineel te behouden, hoe groot de verwoesting ook was. „We wilden het oude gebouw aan zichzelf teruggeven”, zegt hij. „Mooi oud geworden materialen” zijn samengevoegd met nieuwe delen. Een uiterst arbeidsintensief proces, beaamt hij. „Het is haast archeologie geweest”. Zo heeft de architect lang verdwenen details als Egyptische muurschilderingen – „fake van Stüler uit 1850” – in een ongehavende zaal weer teruggehaald. Ze waren verstopt achter houten lambriseringen.

Zijn behoedzame, haast pietepeuterige werkwijze heeft ertoe geleid dat in het Nieuwe Museum veel te zien valt, hoewel het nog helemaal leeg is. Pilaren die van oud in nieuw overgaan. Bijgewerkte scheuren. Ornamenten die aangetast zijn door de tijd en tegelijk een symbiose vormen met hun nieuwe omgeving. Afgebikte oude bakstenen aangevuld met nieuwe. En dan die vermaledijde en toch gekoesterde kogelinslagen, zowel binnen als buiten.

Een medewerker van Chipperfield meent dat het museum door de schade uit de Tweede Wereldoorlog een authenticiteit heeft gekregen die het daarvoor niet had. Maar dat gaat de architect te ver. „Je begint geen oorlog om een mooi gebouw te krijgen”. Op de vraag waarom hij die oorlogslittekens niet heeft weggewerkt, antwoordt Chipperfield: „Ik wilde weten wat je wint met de instandhouding ervan. Kogelinslagen horen bij dit museum als rimpels bij een bejaarde”.

Waar de verwoesting totaal was, heeft Chipperfield naar eigen zeggen „interventies” moeten plegen. Op zulke plekken heeft hij nieuwe zalen, koepels of trapportalen ontworpen. De centrale hal is zo’n interventie. Trappen van strak maar luxe beton, in warm beige, voeren naar hogere etages. „Dit is het hart van het huis, het symbool van onze benadering. Hier is de aanraking tussen oud en nieuw compleet.”