Welke gemeenschappelijke waarden?

Europa’s geestdrift voor Obama wordt vooralsnog niet beloond door een grotere belangstelling van de nieuwe president voor ons werelddeel. De eerste kennismakingstour die zijn minister van Buitenlandse Zaken, Hillary Clinton, maakte, voerde haar naar Japan, Indonesië, Zuid-Korea en China. Een duidelijke prioriteitskeuze – althans op langere termijn.

Want op kortere termijn vraagt natuurlijk het Midden-Oosten de meeste aandacht: Palestina, Irak, Iran en Afghanistan. Naar het laatste land stuurt Obama 17.000 militairen extra, bovenop de daar al aanwezige 70.000. Hij verwacht kennelijk van zijn Europese bondgenoten een soortgelijke bijdrage, maar de respons is lauw, zo niet afwijzend.

Dit gebrek aan geestdrift is, gezien de uitzichtloze situatie in dit land, waar vroegere imperia zich ook de tanden op stuk hebben gegeten, misschien begrijpelijk, maar het contrasteert wél met de adoratie die Obama nog kort geleden alom in Europa ten deel viel. In elk geval zal het er niet toe leiden dat Obama meer zal luisteren naar de wijze raadgevingen van de Europeanen.

De Amerikaans-Europese verhouding is dan ook niet afhankelijk van de inzichten of grillen van deze of gene president en nog minder van de mate van sympathie die deze of gene president in Europa weet te wekken, maar van ‘objectievere’ feiten, zoals de machtsverschuivingen die zich in de wereld aan het voltrekken zijn. Díé bepalen, in laatste aanleg, de prioriteitskeuze van Obama, net zo goed als die van Bush.

President Nixon hield daar al rekening mee toen hij, de geharnaste anticommunist, in 1972 een stilzwijgend bondgenootschap sloot met het China van Mao Zedong, daarmee de Sovjet-Unie schaakmat zettend. Hierbij was geen enkele ideologische affiniteit of persoonlijke sympathie in het spel. Het is een illusie te menen dat Obama zich in zijn prioriteitskeuzen wél door die factoren zal laten leiden.

Is die ideologische affiniteit tussen Amerika en Europa overigens wel zo groot? Zeker, beide hangen grosso modo dezelfde regeringsvorm, de democratie, aan; en beide belijden ogenschijnlijk dezelfde godsdiensten. Dat schept een band, maar tegelijkertijd schept het de illusie van een grotere eenheid dan in werkelijkheid bestaat. Want het komt ten slotte aan op de wijze waarop democratie en godsdienst aan deze en gene zijde van de oceaan beleefd worden, en die is heel verschillend.

Drie weken geleden wees ik hier op die verschillen. Samenvattend schreef ik: „In Amerika is de godsdienst een centraal element in de samenleving, in Europa wordt hij steeds meer naar de rand gedrukt.” En: „Terwijl in Europa de samenleving grotendeels geseculariseerd is, (is) het in Amerika de godsdienst waarmee dat gebeurd is.” Dat zijn enorme verschillen, die, langs onnaspeurbare wegen, ook hun invloed op de politieke verhouding doen gelden –zeker wanneer geopolitieke verschuivingen toch al tot een onderlinge verwijdering leiden.

Intussen heb ik in Ronald Havenaars laatste boek, Eb en vloed: Europa en Amerika van Reagan tot Obama, gelezen dat hij tot soortgelijke waarnemingen komt: terwijl in Europa het christendom „gemarginaliseerd is in het openbare leven”, zijn in Amerika „kerk en samenleving hecht aan elkaar verbonden”, ja is de religieuze beleving „een kernelement in het Amerikaanse zelfbewustzijn”.

„Deze dichotomie heeft de term culture gap opgeleverd. Europa en Amerika zijn sinds de jaren 80 uit elkaar gegroeid als gevolg van groeiende conflicten over ‘waarden’, die vaak een religieuze connotatie hebben. De twee continenten worden gespleten door de dienst aan God.” Kenmerkend zijn, wat dat betreft, de woorden van een Amerikaanse senator die over de zogenaamd gemeenschappelijke waarden zei: „Welke gemeenschappelijke waarden? Zij (de Europeanen) gaan niet eens naar de kerk.”

Bij deze analyse moet echter wél aangetekend worden dat die verschillen al lang vóór de jaren 80, dus lang vóór Reagan, bestonden. Zijn voorganger, de lekenpreker Jimmy Carter, was ook een Europa wezensvreemde figuur. Maar die verschillen bleven lange tijd uit het zicht. Vandaar de kop boven mijn artikel van 5 februari: ‘De verborgen kloof’.

Er is nog een andere kloof waar Havenaar op wijst: de kloof tussen „een afkeer van initiatief” aan Europese kant en de „voorliefde van het Amerikaanse conservatisme voor dynamiek en strijdbaarheid”. Dat conservatisme lag al in de Amerikaanse revolutie van 1776 besloten: „men hoefde de sociale orde niet omver te werpen om de vrijheid te veroveren.” (Ook de Nederlandse opstand tegen Spanje is daarom wel eens een conservatieve revolutie genoemd.)

Het Europese conservatisme is, anders dan het Amerikaanse, niet dynamisch en strijdbaar, maar afkerig van initiatief en risico. Het omvat volgens Havenaar ook de sociaal-democraten: „lange tijd de aanjagers van een verzorgingsstaatssocialisme dat als een werktuig van de vooruitgang werd beschouwd, schaarden (zij) zich na de jaren 70, toen de welfare state in de verdrukking kwam, bij het conservatieve kamp dat de sociale verworvenheden zoveel mogelijk wilden behouden.”

Zou het onder Wouter Bos anders zijn? Maandag werd in een televisieprogramma over hoe uit de recessie te komen het model dat hij daar aanbeval, door een criticus „ideaal voor mensen met weinig ambitie en een neiging tot risicovermijding” genoemd (aldus Hans Beerekamp in zijn rubriek op de mediapagina van dinsdag). Heel begrijpelijk: iedereen wil wat hij verworven heeft behouden, is dus conservatief. Alleen moet zijn ideologie zich daar nog aan aanpassen.

Nu hoeft die kloof tussen Amerika en Europa op zichzelf niet te leiden tot anti-Amerikanisme aan Europese kant. Of moeten wij Amerika afwijzen omdat het niet precies zo denkt als wij? De verschillen tussen de Europese culturen onderling zijn soms nog groter dan die tussen Europa en Amerika, en toch is een Europese Unie tot stand gekomen – al stelt de recessie haar cohesie zwaar op de proef.

Wilt u reageren? Mail de auteur via dezerdagen@nrc.nl of reageer online op nrc.nl/heldring