Vrouw met kind

Op weg naar de bioscoop voor de film Slumdog Millionaire hoorde ik een vrouwenstem roepen. Het was op de Lijnbaansgracht, aan de grens van het Amsterdamse centrum. Ik keek opzij en omhoog, zag niks, liep door en hoorde weer een paar keer die stem, maar nu verstaanbaarder: „Meneer, meneer!”

Ik bleef staan en zag een vrouw een meter of vijftig achter me, sjokkend achter een buggy en zwaaiend met een papier. Ik liep terug en vroeg wat ik voor haar kon doen. Ze liet me het papier zien. Er stond een adres ergens in deze buurt op met de naam van een tehuis voor daklozen en andere ongelukkigen. Ik kwam er regelmatig langs, een sombere veste met dichte ramen en een strenge, stalen toegangsdeur.

„Waar?”, vroeg ze.

Haar Nederlands was zeer gebrekkig en ik merkte dat ze mijn uitleg niet kon volgen. Nu is dat op zichzelf niet zo verwonderlijk, want zodra ik lastige routes moet verwoorden krijg ik ook altijd moeite om mezelf te begrijpen. Het gaat nog een keer gebeuren dat de ander mij welwillend aanhoort en me vervolgens bij de arm neemt om mij naar het bedoelde adres te loodsen. Om Babylonische misverstanden te voorkomen, beduidde ik de vrouw dat ik met haar zou meelopen naar het opvanghuis.

Het werd nog een pittig tochtje over het hobbelige plaveisel van stoepen en straatjes. De buggy had een slechte vering, maar het kindje merkte er gelukkig niets van, het sliep de slaap der slaapzuchtigen. Af en toe wisselden de vrouw en ik een enkel woord.

„Slaap”, zei ik, wijzend op het kindje.

„Slaap”, knikte ze met een kort lachje.

„Hoe oud?”

Ze spreidde de vingers van haar rechterhand. „Vijf.”

Haar gezicht was bleek en vreugdeloos. Ik schatte haar op een jaar of dertig. Ze leek me eerder van Oost-Europese dan van Noord-Afrikaanse herkomst. Soms moest ik haar voor laten gaan en dan kon ik haar wat beter gadeslaan. Haar kleding – hoofddoekje, bruinige winterjas, donkere broek, lage schoenen – was weinig flatteus, maar zeker niet onverzorgd.

Ze straalde een vertwijfeld soort vastberadenheid uit. Het lot had haar hier gebracht, alleen met haar kindje van vijf maanden, en nu zou ze er het beste van maken, niet eens zozeer voor zichzelf alswel voor dat kindje.

„Waar vandaan?”, vroeg ik.

„Alkmaar.”

Ik begreep dat ze ’s morgensvroeg met de bus naar Amsterdam was gekomen. Bij het Centraal Station had ze de tram genomen, maar ze was te vroeg uitgestapt en ze had al een heel eind gelopen voor ze mij zag. We liepen moeizaam over bruggetjes en langs grachten. Voor de etalages van tv- en videowinkels stonden mensen naar de beelden van de vliegramp bij Schiphol te kijken. Een geknakte walvis op een Hollandse akker. Zou ik er haar iets van vertellen? Het leek me te ingewikkeld.

We stonden voor het opvanghuis. Ik belde aan. Een non deed open en bekeek ons kritisch. Ook zij sprak nauwelijks Nederlands. De vrouw bedankte me uitvoerig en reed haar buggy naar binnen.

Toen mocht ik naar Slumdog Millionaire, die met Oscars overladen speelfilm over de sloppen van Mumbai. Hij viel me nogal tegen – een bombastisch melodrama, knap gemaakte kitsch. Maar ik zal nooit weten of het aan die film lag of aan mij en de ontmoeting met die vrouw, overtuigend hoofdpersonage in haar eigen verdrietige film.