Onder Saddam hadden we disco?s

Arnon Grunberg rijdt met Dr. Mujid, directeur van het mortuarium en dokter, over ‘Grenade Alley’. De dokter wordt met de dood bedreigd. Deel 6 van een serie.

Direct buiten de poort, daar waar de Groene Zone ophoudt en de Rode begint, wacht Dr. Mujid op me, de directeur van het mortuarium.

Hij heeft dokterskleding aan en hij zit onder de bloedspetters. Dr. Mujid komt net uit de operatiekamer vandaan.

Dr. Mujid zit in een witte jeep en trekt me naar binnen. Een jongen van naar ik schat een jaar of vijftien sluit de deur. De zoon van Dr. Mujid, denk ik.

Het blijkt een van zijn lijfwachten.

Met drie witte jeeps scheuren we door de Rode Zone van Bagdad. De achterste jeep heeft sirenes aan.

Dr. Mujid is een vriendelijke man van een jaar of vijftig, met een bril en een zachte stem.

Zodra het verkeer tot stilstand dreigt te komen, nemen we een andere route. Ik hoop niet dat het vanwege mij is.

„Dit is Haifa straat”, zegt Dr. Mujid, „dit was vroeger een slagveld.”

Talloze bomaanslagen hebben hier plaatsgevonden. De Amerikanen noemden de straat ‘Grenade Alley’.

Buiten is wel wat leven te zien. Weinig vrouwen, veel verkeer, wat winkeltjes en cafés die typerend zijn voor de minder rijke gebieden van deze wereld. Of de gebouwen in verval verkeren door bomaanslagen of door ordinaire armoede is moeilijk te zeggen.

In de buurt Adhamiya stappen we uit. Uit de voorste jeep komen lijfwachten met de pistolen nog in hun hand.

De vrouw van Dr. Mujid, Maysan, ontvangt me alsof ik familie ben.

„Sorry voor de rompslomp”, zegt ze. „Maar mijn man heeft doodsbedreigingen ontvangen.”

„Geen probleem”, zeg ik.

Dr. Mujid haalt zijn schouder op. „Als ze je echt doodmaken, kondigen ze je dat meestal niet aan. Maar de minister van Volksgezondheid wil graag dat ik beveiligd word.”

„Je had ook met mij mee kunnen rijden,” zegt Maysan, „maar ik wist niet hoe je eruitzag. Er zijn ook blanke Irakezen en we hadden je een hoed op kunnen zetten.” Ik neem plaats op de bank.

„Ik ga het eten verder voorbereiden, praat maar even met mijn zoon.”

Amin, een van de zonen van Maysan, is 23 en studeert medicijnen. Op aandringen van zijn vader.

„Hoe vermaken de Irakezen zich ’s avonds?”, vraag ik.

„Na negen uur ’s avonds is het buiten te gevaarlijk”, zegt Amin.

„Zijn er discotheken?”, informeer ik.

„Niet meer. Maar die waren er wel.”

„Wanneer?”

„Toen Saddam er nog was.”