Niet zonder mening over kwestie-Irak

Sommige leden van de commissie-Davids, die zich over de Irak-zaak gaan buigen, hadden in het verleden uitgesproken opvattingen over het te onderzoeken onderwerp.

Toen politiek Nederland drie weken geleden in staat van opwinding verkeerde nadat premier Balkenende uiteindelijk toch een Irak-onderzoek had toegezegd, zat beoogd commissievoorzitter Willibrord Davids in het buitenland. De volgende dag, op de terugweg uit Berlijn, had hij nog geen idee van de commotie die het besluit die maandagmorgen teweeg had gebracht. Pas dinsdagmiddag, vertelde Davids gisteren bij de presentatie van zijn onderzoekscommissie, vond hij „een beduimelde Spits” waarin hij las over een persconferentie, de politieke reacties en een aanstaand Kamerdebat.

Maar nu is hij er helemaal klaar voor. De oud-president van de Hoge Raad, die het aanvankelijk na zijn pensioen afgelopen november „wat rustiger aan wilde doen” heeft een commissie van wetenschappers samengesteld die de besluitvorming naar de politieke steun aan de Irak-oorlog gaat onderzoeken. Toen de premier belde, had hij er toch oren naar: „Zo ben je nu eenmaal gebouwd”, aldus Davids, die het onderwerp „ontzettend interessant” noemt.

Eén van de te onderzoeken kwesties is het volkenrechtelijke vraagstuk. Nederland gaf politieke steun aan een oorlog, zonder een expliciete VN-resolutie die geweld mandateerde. Toch lag daar volgens Balkenende een „sluitende juridische redenering” aan ten grondslag. Saddam weigerde eerdere Irak-resoluties uit te voeren en dat rechtvaardigde gewapend optreden, aldus de premier. Het is onduidelijk op welke bronnen van gezag het toenmalige kabinet zich baseerde. Duidelijk is wel dat specialisten binnen de overheid, de directeuren van de juridische diensten van de ministeries van Defensie en Buitenlandse Zaken, kritisch waren over de fragiele rechtsgrond, net als vele volkenrechtdeskundigen.

Een van hen, professor Nico Schrijver, is prominent PvdA’er en lid van de commissie-Davids. Hij schreef in 2003, aan de vooravond van de inval, in NRC Handelsblad een kritisch artikel waarin hij het ontbreken van een VN-resolutie hekelde. „Het kan niet zo zijn dat nieuwe regels eigenmachtig door enkele militair sterke staten en hun bondgenoten bedacht en afgedwongen kunnen worden”, aldus Schrijver die dan ook concludeerde: „Als we niet oppassen, kan het geweldgebruik in de kwestie-Irak waartoe nu is besloten, en dat politiek door de Nederlandse regering wordt gesteund, leiden tot een gevaarlijke herwaardering van eigenmachtige gewapende actie in de internationale betrekkingen en tot een uitholling van de internationale rechtsorde in een wereld”.

Hier tegenover staat de mening van oud-topdiplomaat Peter van Walsum, eveneens lid van de onderzoekscommissie. In zijn Cleveringa-lezing aan de Leidse Universiteit, eind 2004, stelde hij verwijzend naar de kwestie Irak dat „het natuurlijk geen pas geeft als landen besluiten zonder mandaat van de VN besluiten een ander land aan te vallen”. Maar Van Walsum voegde hier voor de „aanwezige juridische fijnproevers” direct iets aan toe. Hij zei dat „het ook niet in de haak is als een land twaalf jaar lang dwingende Veiligheidsresoluties aan zijn laars lapt en daartoe in staat wordt gesteld doordat twee permanente leden met hun vetorecht de Veiligheidsraad ervan weerhouden dat land tot de orde te roepen”. Hij vroeg zich retorisch af „door welke van de twee handelwijzen het gezag van de Veiligheidsraad het meest wordt aangetast”.

Koos van der Bruggen, politicoloog, ethicus en secretaris van de commissie, liet vlak voor de invasie in een artikel in het Friesch Dagblad zijn licht schijnen over de toen dreigende inval. Hij had het over „oneigenlijke bedoelingen”, omdat het eigenlijke doel van de VS was om Saddam Hoessein af te zetten. In datzelfde stuk wees hij erop dat een „niet door de VN gesanctioneerde interventie” toch te rechtvaardigen is, bijvoorbeeld vanwege een humanitaire noodsituatie. „Maar is daarvan sprake in Irak? Dat lijkt heel moeilijk verdedigbaar”, aldus Van der Bruggen . De politieke discussie van destijds over de rechtvaardigheid van de inval is dus ook binnen de commissie aanwezig. En één van de vragen is hoe de commissie deze inhoudelijke aspecten zal weten te scheiden van de vooral interessante procedurele onderzoeksvraag: wie was wanneer op basis van welke informatie op de hoogte?

Vermeldenswaard is ook het commissie-lidmaatschap van Cees Fasseur, bekend historicus, maar tevens oud-voorzitter van de commissie die toezicht hield op de inlichtingendiensten. Dat zal voor de commissie-Davids een ingewikkeld punt worden: krijgt men toegang tot alle informatie van de veiligheidsdiensten, zowel de AIVD als de MIVD? Hoe kan men beoordelen welke informatie er überhaupt is? En komt er een vertrouwenspersoon waar mensen die informatie over het Irak-dossier hebben zich kunnen melden?

Het eindrapport zou voor 1 november gereed moeten zijn, schreef Balkenende begin deze maand aan de Kamer. Veelzeggend is dat voorzitter Davids zich niet op deze datum wil vastleggen. Hij wees gisteren op de grote hoeveelheid informatie en kon dan ook „geen garantie” geven dat 1 november gehaald zal worden.

Eerdere berichtgeving: nrc.nl/irak

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Fasseur

In het artikel Niet zonder mening over kwestie-Irak (26 februari, pagina 2) staat dat Cees Fasseur onder andere voorzitter is geweest van de Commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Dat is onjuist, hij was lid van deze commissie. Voorzitter was mevrouw I.P. Michiels van Kessenich-Hoogendam.