Incest? Ja, nu je het zegt

Sommige mensen komen pas later tot het inzicht dat ze seksueel misbruikt zijn.

Omdat ze het verdrongen hebben, maar soms ook omdat het nooit traumatisch was.

Ruim tien jaar lang wordt er een fel debat over gevoerd. Aan de ene kant staan de psychotherapeuten die zeggen: mijn cliënt is als kind seksueel misbruikt, en dáár komt het door dat ze nu depressief is, of anorexia heeft. In de therapie is ze geleidelijk tot dat inzicht gekomen, want ze had de herinnering eraan geheel verdrongen. Aan de andere kant menen geheugenpsychologen: deze therapeuten praten hun cliënten een incestverleden aan dat nooit heeft plaatsgevonden, want mensen onthouden traumatische gebeurtenissen juist heel goed, dat weten we uit geheugenonderzoek.

Beide kampen zaten elkaar zo in de haren, dat niemand opmerkte dat er nog een derde optie was: soms komen mensen pas later tot het inzicht dat ze seksueel misbruikt zijn, omdat het niet traumatisch was toen het gebeurde. Ze hebben er eigenlijk nooit meer aan gedacht – tot plotseling tot hen doordringt dat er van misbruik sprake was.

De psychologen Richard McNally (Harvard) en Elke Geraerts (Maastricht) beschrijven deze mogelijkheid uitvoerig in een overzichtsartikel dat in het maartnummer van Perspectives on Psychological Science verschijnt. „Dit zijn mensen die hun vergeten overschatten”, vertelt Geraerts telefonisch vanuit Schotland – ze geeft enkele lezingen aan de universiteit van St Andrews. „Je vraagt ze bijvoorbeeld hoe oud ze waren bij hun eerste begrafenis, en een uurtje later vraag je: wanneer heb je voor het laatst aan je eerste begrafenis gedacht? Anderen zeggen dan ‘een uurtje geleden, toen je ernaar vroeg’, maar zij zeggen ‘o, al járen niet meer’.” Doordat hun geheugen zo ‘raar’ werkt, vergeten deze mensen soms zelfs dat ze al eerder aan het misbruik hebben teruggedacht – soms hebben ze er zelfs al eens met anderen over gesproken.”

De psychologen interviewden tientallen mensen die zelf zeiden dat ze ‘teruggevonden herinneringen’ aan seksueel misbruik hadden. Een deel van hen bleek geleidelijk, meestal in therapie, tot de conclusie te zijn gekomen dat hun emotionele problemen kwamen door verdrongen seksueel misbruik – typisch het verschijnsel waar geheugenpsycholoog Elizabeth Loftus zich zo kwaad over maakte in haar boek The Myth of Repressed Memory (1996).

Maar andere geïnterviewden zeiden dat ze gewoon jaren niet meer aan het misbruik hadden gedacht. Ze moesten er ineens aan denken nadat ze bijvoorbeeld een film over incest hadden gezien, of weer in contact waren gekomen met de dader. Destijds vonden ze de aanrakingen en seks eerder verwarrend en ongemakkelijk dan beangstigend, maar nu ze er met een volwassen blik op terugkeken, raakten ze er ernstig overstuur van. Sommigen hadden symptomen van een posttraumatische stress-stoornis. In 37 procent van de gevallen konden de onderzoekers het misbruik bij anderen verifiëren (die wisten er ook van, of de dader had bekend). Dat is bijna net zoveel als bij mensen die nooit vergeten zijn dat ze als kind misbruikt zijn; dan is dat in 45 procent van de gevallen te verifiëren. Bij de mensen die dankzij suggestieve therapie ‘herinneringen hadden hervonden’, was geen bewijs voor misbruik te vinden.

Geraerts vindt het moeilijk te zeggen hoeveel mensen wat precies onthouden nadat ze als kind misbruikt zijn. „Wij krijgen natuurlijk maar een beperkt aantal van deze mensen te zien. Veel mensen wantrouwen onderzoekers waarschijnlijk ook, na alle negatieve publiciteit over hervonden herinneringen. Maar ik denk dat veruit de grootste groep van mensen die misbruikt zijn, zich dat altijd blijven herinneren. Daarna komt de groep die het vergeet en zich plotseling weer herinnert, en de kleinste groep is die van mensen bij wie de herinnering aan het misbruik in therapie weer bovenkomt, dankzij suggesties van de therapeut.” Dus dat kán wel? „Nou, ons onderzoek toont aan dat die mensen het zich waarschijnlijk ingebeeld hebben, maar ik durf niet te zeggen dat in therapie gevonden herinneringen sowieso altijd fout zijn.”

Maar meestal ontstaan die door suggesties van de therapeut, zegt ze. „Die zegt dan vaak met de beste bedoelingen dingen als ‘er moet wel iets traumatisch gebeurd zijn in uw jeugd’ – en de cliënt gaat dat geleidelijk geloven. Bij mensen die op die manier hun incestverleden ‘terugvinden’, blijkt het over het algemeen vrij eenvoudig om ze onjuiste herinneringen aan te praten, zoals dat ze in hun jeugd door een dier zijn aangevallen.”