Felle eigenzinnigheid bij Repin

Klassiek Vadim Repin (viool) en N. Lugansky (piano). Gehoord: 25/2 Concertgebouw, A’dam. Tour: 27/2 Vredenburg, Utrecht en 28/2 Frits Philips, Eindhoven o.l.v. Jaap van Zweden.

****

Wil je violist Vadim Repin een compliment geven, dan zeg je: „Wat was dát een goede muziek.” En niet: „Wat speelde u dat mooi.”

De Rus Repin (37) is al bijna 20 jaar een van de net iets minder opvallende topviolisten. Generaliserend kun je over hen zeggen dat zijn jeugdvriend Maxim Vengerov temperamentvol en open is, terwijl Nikolaj Znaider flamboyant en analytisch speelt. Maar bij alle drie staat het repertoire voorop en gaat eigenheid boven show.

Maar Repin – in Nederland voor dit recital en het Vioolconcert van Brahms – is óók een violist van weerbarstige felheid, kameleontische veelzijdigheid. Zo klonk Debussy’s Sonate voor viool en piano in g tastend, impressionistisch van streek. Het slot leek een stream of consciousness van extremen.

Daardoor deed de overgang naar Prokofjevs ideeënrijke Eerste vioolsonate nog organisch aan. Pianist Nikolaj Lugansky is zelf een fenomenaal meester-pianist die Repin als duo-partner zo gelijkwaardig tegenwicht bood. Zo konden uitersten in vrijheid van timing worden opgezocht. Samen kleurden Repin en Lugansky Prokofjevs sonate in met gruizige, grimmige sferen in het Andante assai en ontroerend broze tederheid in het Andante.

Repins spel wordt ondersteund door een ronkend volle toon en een virtuositeit die ook in ijltempi feilloos blijft. Dat maakte Beethovens Kreutzersonate tot een belevenis. Het openingsdeel klonk feller dan doorgaans, door extreme vrijheden ook zeldzaam retorisch. Sturm und Drang-achtig snel en fel was het Presto, met syncopes als zweepslagen. Het publiek, met veel vioolstudenten, kreeg een even fel gespeelde Valse-Scherzo van Tsjaikovski als toegift, gevolgd door zwaar in de snaar leunende Weltschmerz en hypervirtuositeit in Bartóks Roemeense dansen.