Deals doen op de dansvloer

Kunst en cultuur leveren evenveel banen op als de bankensector, zegt Elizabeth Currid, auteur van The Warhol Economy. In het crisisplan van Obama krijgt de sector met moeite een fooi.

Wat is belangrijker voor de economie van een stad als New York, het glanzende hoofdkantoor van een financiële instelling of de lawaaierige hippe nachtclub waar je geen woord met elkaar kunt wisselen? Nog vóór de financiële crisis losbarstte wist Elizabeth Currid het antwoord, en nu helemaal: de nachtclub, het café, de galerie winnen het van het bankgebouw.

„New York mag zich gelukkig prijzen dat het naast de conventionele economie ook de culturele economie heeft”, zegt Currid. „Wall Street levert natuurlijk veel meer op in inkomsten, maar op het gebied van de werkgelegenheid dragen ze – of moet ik zeggen: droegen – allebei evenveel bij aan de directe werkgelegenheid, namelijk rond de 5 procent. Eindelijk zal de ‘Warhol-economie’ op zijn harde economische waarde worden geschat.”

Currid (30) is assistant professor aan de School of Policy and Planning aan de University of Southern California (USC) en auteur van het boek The Warhol Economy: How Fashion Art & Music Drive New York City (Princeton University Press, 2007). Zij is deze week in Nederland op uitnodiging van de gemeente Amsterdam en het Amsterdam Institute for Metropolitan and International Develoment Studies van de UvA. Met haar werk treedt ze in de voetsporen van Richard Florida, die ook een van haar studieadviseurs was. Zijn stelling is dat die steden succes zullen hebben die met verdraagzaamheid en verscheidenheid de creatieve klasse weten te trekken.

Vorige week bleek dat het economische belang van de culturele sector nog niet vanzelfsprekend is voor de Amerikaanse politiek. Het scheelde niet veel of musea, theaters en kunstinstellingen werden uitgesloten van Obama’s stimuleringsmaatregelen.

Filmacteur Robert Redford pakte de telefoon om voorzitter Nancy Pelosi van het Huis van Afgevaardigden erop te wijzen dat zijn Sundance Film Festival ruim 60 miljoen per jaar oplevert voor het anders erg landelijk Park City, Utah. De kunstwereld voerde een advertentiecampagne om bekendheid te geven aan zijn eigen economische betekenis: 6 miljoen banen, 30 miljoen dollar aan belastingopbrengsten, 166 miljard dollar aan economische spin off, ofwel ruim 1 procent van het Amerikaanse bbp. Uiteindelijk werd er in het hele stimuleringspakket van 787 miljard dollar een bedrag van 50 miljoen dollar voor de kunst en cultuur uitgetrokken.

Het boek draagt Andy Warhols naam, schrijft Elizabeth Currid, omdat hij in zijn Factory de productie van cultuur naadloos liet overvloeien in de sociale scene. Zij heeft er niet alleen tientallen ontwerpers, musici en kunstenaars voor geïnterviewd maar ook ‘participatoir onderzoek’ gedaan: wankelend op haar stilettohakken, altijd en immer te laat, fladdert ze langs de modeshows, nachtclubs, galerie-openingen en restaurants waar de cultuurproducenten elkaar tegenkomen en waar ideeën en samenwerkingen ontstaan.

Het lijkt niet op werk, maar die ontmoetingen tussen cultuurproducenten leveren geld en banen op. Zij geeft in haar boek cijfers over de werkgelegenheid in de creatieve sectoren waaruit blijkt dat die twee keer zo hard groeide als de totale werkgelegenheid. Dat trekt ook cultuurtoeristen aan, die miljarden uitgeven in de stad.

New York beschrijft ze als ‘een ruimtelijk begrensde creatieve chaos’ waar mensen elkaar makkelijk tegenkomen. Maar zijn Silicon Valley en Hollywood niet ook brandpunten van de creatieve industrie, zonder die dichtheid?

Currid: „Nabijheid maakt deze informele, ongeplande uitwisselingen natuurlijk veel makkelijker. De beroemde Newyorkse activiste en schrijfster Jane Jacobs had het over „the intricate sidewalk ballet”, het fijnmazige ballet op het trottoir. Maar in andere soorten omgevingen creëren mensen hun eigen nabijheid. Ze zoeken elkaar op, ook al moeten ze daar meer moeite voor doen.

„New York heeft door zijn voor Amerika ongebruikelijke dichtheid wel een voorsprong. Met een onderzoeksmethodiek die de ‘location quotient’ heet heb ik aan de hand van data van de volkstelling en het Bureau for Labor Statistics uitgerekend dat New York bijvoorbeeld zestien keer meer modeontwerpers telt dan alle andere steden in de rest van het land. Daarmee wordt New York zelf een merk: alleen al het feit dat iets daar is ontstaan – een jurk, een kunstwerk – verhoogt de waarde ervan.”

In haar boek citeert Currid een lid van de popband Talking Heads, die zegt: „Erkenning krijgen in de East Village was belangrijker dan je foto in Time Magazine hebben.” De creatieve economie staat volgens haar nu op een kritiek punt. Die wordt als het ware door het eigen succes bedreigd: kunstenaars maken de stad aantrekkelijk, waardoor de prijzen zo hoog worden dat ze weg moeten.

Currid: „Er zijn mensen die zeggen: laat de markt zijn werk doen, dan komt het wel goed. Dat vind ik kortzichtig. Het feit dat er nu tientallen galeries in Chelsea zijn, verbloemt het feit dat New York zijn kunstenaars kwijt raakt. De stad zoals we die nu kennen, is het resultante van processen die tot de jaren twintig teruggaan. De Kooning en Jackson Pollock vestigden zich in de jaren vijftig omdat er goedkope ruimte was en gelijkgestemden kunstenaars. Als we diezelfde randvoorwaarden niet in stand houden zullen we over een aantal jaar ontdekken dat de bron is opgedroogd. Richard Florida heeft gezegd: als een stad saai wordt, vertrekken ook de rijkelui.”

De Warhol-economie lijdt net als het bankwezen nu onder de crisis, maar zijn er ook voordelen?

„Het kan heel goed zijn dat het wonen in de stad weer wat betaalbaarder wordt. Eind 2007 was de gemiddelde prijs van een appartement op Manhattan liefst 1,4 miljoen dollar.”

U vond altijd dat de stad kunstenaars moet steunen. Dat versterkt het beeld dat de kunstwereld alleen maar geld kóst.

„Dat geld gooi je niet weg, je houdt daarmee een infrastructuur in stand. Het faciliteren daarvan levert onnoemelijk veel meer op dan dat het kost. Bovendien gaat het niet alleen om geld. Wijs bepaalde buurten aan waar kunstenaars voorrang op woon- en werkruimte hebben. Geef ze belastingvoordeel als ze oude panden opknappen. Het creëren van woon- en werkruimte voor kunstenaars in achtergestelde delen van de stad zoals de Bronx kan die wijk stimuleren. Wijs districten aan zonder woonbestemming zodat het nachtleven zijn gang kan gaan.

„Volgens de Newyorkse denktank Center for an Urban Future zijn steden als Londen en Toronto veel verder dan New York in het bedenken van publieke en private strategieën om hun creatieve industrie vast te houden.”

Overigens is het nachtleven zelf minder uitnodigend geworden, zegt Currid: stonden de deuren vroeger open voor iedereen, nu wordt er soms een verkapte entree van 300 dollar gevraagd. De kunst zelf is ook niet wars van de commercialisering: ruige graffitikunstenaars die eens voor vandalen werden aangezien, krijgen nu opdrachten van Adidas, Nike en North Face. In een artikel in het Britse weekblad The Economist merkte Currid daar droogjes over op: „Het is goed om talent te hebben, nog beter om marktwaarde te hebben.”

Als de creativiteit zo’n belangrijke economische motor is, waarom wordt de creatieve economie niet overal serieus genomen?

„Als je zelf een nette van negen tot vijf baan hebt, is het moeilijk je voor te stellen dat mensen die rondhangen in een restaurant of op een feest met elkaar staan te kletsen, aan het werk zijn. Hoe kun je tegelijkertijd plezier maken en productief zijn? Voor de rest van de wereld is de consumptie van cultuur een vrijetijdsactiviteit, maar de productie van cultuur is dat niet. Het verschil is dat die productie zich niet tot vastomlijnde werkuren beperkt, het is een manier van leven. Maar in feite geldt voor zowel de financiële sector als de creatieve industrie hetzelfde: de impact van hoogwaardig menselijk kapitaal op de economische groei is enorm. Deals worden niet gemaakt in de directiekamer, maar op de dansvloer.”