Bij afvallen telt het gedrag, niet de voeding

Er is veel twist over welk dieet het beste is: wel eiwit, geen eiwit, enzovoorts. Het blijkt allemaal niks uit te maken. Het gaat echt om gedrag, zegt Martijn Katan

Diëten met veel of weinig vet, met veel of weinig koolhydraten, met hoog of laag eiwitgehalte: in hun effect verschillen ze niks van elkaar. Na een half jaar is iedereen gemiddeld 6 kilo kwijt. En bij de doorzetters is daar na twee jaar nog gemiddeld 4 kilo van over.

Die conclusie trekken Amerikaanse onderzoekers uit het grootste en langdurigste onderzoek dat ooit werd gedaan naar dit onderwerp, waar de afgelopen decennia veel dieethypes op werden gebouwd. In het onderzoek lieten ruim 800 te dikke mensen – goed gemotiveerd om af te vallen – door het lot bepalen welk van vier diëten ze twee jaar lang zouden volgen. In de tabel hiernaast staat welke energiepercentages de verschillende diëten aan vet, koolhydraat en eiwit bevatten.

Vet, koolhydraat (dat zijn suikers en zetmeel) en eiwit zijn de drie macronutriënten in de voeding die samen alle calorieën leveren. Het onderzoek is vandaag gepubliceerd in The New England Journal of Medicine.

Bij afvallen gaat het er om minder calorieën binnen te krijgen, concluderen de onderzoekers.

In een begeleidend commentaar gaat de Nederlandse voedingshoogleraar Martijn Katan nog een stapje verder: ‘We hebben geen nieuwe dieetonderzoeken meer nodig, we zijn toe aan een paradigmaverandering: net als cholera is obesitas geen ziekte die door individuen kan worden opgelost; er is een aanpak vanuit de gemeenschap nodig.’

Dit inzicht dat diëten meer een kwestie van gedragsverandering dan van voedingsamenstelling is, dringt langzaam door. Ook de Amerikaanse onderzoekers noemen het in hun discussie. Maar de afgelopen decennia was dat inzicht ver te zoeken. De modes wisselden. Het Atkins-dieet – met weinig koolhydraten (low-carb) en veel vet – was in de jaren zeventig van de vorige eeuw favoriet en een paar jaar geleden weer. In de tussentijd beleefde bijvoorbeeld het Ornishdieet zijn hoogtepunt dat juist weinig vet (low-fat) en veel koolhydraten bevat. De diëten werden semiwetenschappelijk onderbouwd: dat vet beter verzadigt, dat eiwit meer energie kost om het te verteren. Atkins en Ornish bereikten de status van dieetgoeroe in de Verenigde Staten, zoals dat Montignac in Europa lukte. Bij hem mochten vetten en koolhydraten niet in één maaltijd worden gecombineerd. De discussies liepen hoog op: er zijn tegenstanders van Ornish die de enorme zwaarlijvigheidsepidemie in de Verenigde Staten toeschrijven aan de door Ornish gepropageerde hoge koolhydraatinname.

Het nu gepubliceerde onderzoek had voldoende deelnemers om na twee jaar een verschil van 1,7 kilo lichaamsgewicht, veroorzaakt door verschillen in de inname van vet, koolhydraten en eiwit, te kunnen meten. Maar dat verschil was er niet.

„De kritiek van de high- of juist low-carb-aanhangers zal zich wel richten op de dieetontrouw van de deelnemers,” zegt Katan in een telefonische toelichting. De deelnemers hielden zich gemiddeld maar een half jaar goed aan het opgelegde dieet. In die tijd verloren ze ook het meeste gewicht, met welk dieet maakte niet uit. Metingen aan gewicht, urine en bloed van de deelnemers wees uit dat ze uiteindelijk gemiddeld over de twee jaar dat het onderzoek duurde maar 250 kilocalorieën per dag minder aten dan de hoeveelheid die nodig was om op gewicht te blijven. Doel was 750 kilocalorieën minder.

„Maar,” zegt Katan, „meer van dit soort dieetonderzoek hoef ik niet te zien. Wat we moeten weten is of het helpt om frisdrankautomaten uit scholen te halen, of het helpt om schoolkinderen meer gymles te geven. Het experiment waarbij je 20 wijken ruim van fietspaden voorziet en 20 andere wijken niet, en dan het effect op obesitas meten, dat moet ook nodig gedaan worden. En ontbijten. Dat je moet ontbijten om niet dik te worden, die boodschap heeft langzamerhand de status van natuurwet bereikt. Maar er is geen bewijs voor. Al die briljante voor de hand liggende oplossingen die iedereen nu bedenkt, daar moet nodig van bewezen worden of ze werken.”

„Te lang,” vervolgt Katan, „hebben vetzuchtonderzoekers gedacht dat ze fysiologie bedrijven. Zolang je de werking van vitaminen op bepaalde ziekten, of de invloed van kalium op hoge bloeddruk onderzoekt, dan klopt dat, maar als je wil weten wat iemand moet eten om minder te eten, dan bedrijf je gedragswetenschap. Dat heeft met moleculen in de voeding niets te maken.”

In het commentaar wijst Katan naar een mooie maatschappelijke aanpak. In de Noord-Franse dorpen Fleurbaix en Laventie is halverwege de jaren negentig de hele gemeenschap succesvol gemobiliseerd – van burgemeester to bakker, van onderwijzer tot fietsenmaker – om kinderen meer te laten bewegen en minder te laten eten.

Dat project bestaat inmiddels op Europese schaal, als EPODE. Dat is een acroniem voor ensemble, prévenons l‘obésité des enfants.

De Britse premier Gordon Brown en de Duitse bondskanselier Angela Merkel hebben zich inmiddels persoonlijk achter die aanpak geschaard, vertelt dr. Tommy Visscher, obesitasonderzoeker aan VU-Windesheim in Zwolle. Er zijn projecten gestart in ruim 200 Europese steden en dorpen. En Zwolle lijkt de eerste Nederlandse stad te worden die mee gaat doen. Visscher: „Het wachten is op een nota van minister Klink. De Zwolse wethouder voor volksgezondheid moet ook zijn college van B&W nog mee krijgen, want iedereen moet meedoen.”

Katan: „Als je dit soort projecten opzet, staan de burgemeesters in de rij. Maar er is wetenschappelijk bewijs nodig. Want als je echt gaat snijden, zoals het vervangen van parkeerplaatsen door speelveldjes, zodat iedereen zijn auto een stukje verderop moet parkeren, dan heb je bewijs nodig dat zo’n maatregel zin heeft. Anders laten mensen zich niet overtuigen.”

Vanaf aanstaande zaterdag schrijft Martijn Katan regelmatig een column in de bijlage Wetenschap