'Bengalen zijn niet zielig, maar lui'

In Maleisië bezetten migranten een kwart van de arbeidsplaatsen. Nu de financiële crisis toeslaat, blijken zij nauwelijks rechten te hebben.

Kadir Yassin (40) wil alleen nog maar naar huis. Negen maanden geleden verkocht de Bengaal zijn koe en zijn woning om naar Maleisië te komen. Geld verdienen, voor zijn vrouw en vier kinderen.

Nu woont hij al drie maanden op de derde verdieping van een oud schoolgebouw in een buitenwijk van Kuala Lumpur. In de ruimte ter grootte van een half tennisveld bivakkeren zo’n 75 Bengalen, net als op de verdieping eronder. Ze slapen op de betonnen vloer, hebben geen geld en nauwelijks te eten. Soms komt er water uit de kraan, soms niet.

Yassin en zijn landgenoten zijn slachtoffers van de financiële crisis. Ze kwamen naar Maleisië om in een fabriek te werken, maar de fabrieken gingen dicht of werken op halve kracht, en daarom heeft het uitzendbureau geen werk voor ze. Ook voor de maanden dat ze wel hebben gewerkt, zeggen ze geen salaris te hebben gehad. Het uitzendbureau heeft hun paspoorten en dreigt met opsluiting door de vreemdelingendienst als ze problemen veroorzaken.

Yassin heeft nog niets kunnen terugverdienen van de 3.200 euro die hij betaalde voor de overtocht, maar dat maakt hem niets meer uit. Hij heeft al drie dagen niet gegeten. „Ik wil terug, en ik wil nooit meer naar Maleisië”, zegt hij, en hij begint geluidloos te huilen.

Op dat moment komen twee forse mannen van het uitzendbureau binnen, die zijn ingeseind over pottenkijkers. Binnen enkele minuten komen vijf mannen opdraven om de migranten te bedreigen en het bezoek te overtuigen van de goede bedoelingen van het uitzendbureau. Die Bengalen zijn niet zielig maar lui, is de boodschap. Nu fabrieken het moeilijk hebben, zijn ze te beroerd om op plantages te werken. Vandaar deze accommodatie, want „anders wordt het te comfortabel voor ze”. Om diezelfde reden geven ze de migranten soms een dag niet te eten, leggen de mannen uit.

De financiële crisis en de notoir slechte arbeidsomstandigheden van migranten zorgen in Maleisië voor een gevaarlijke mix. Twee weken geleden sprak de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties het land nog aan op de slechte behandeling van arbeidsmigranten en vluchtelingen, en zijn gebrek aan wetten die arbeidsmigranten beschermen.

In Maleisië bezetten migranten ruim een kwart van de arbeidsplaatsen. Ze komen uit landen als Bangladesh, Indonesië, India, de Filippijnen of Nepal en doen werk dat Maleisiërs zelf niet willen doen. Vaak vinden zij niet de goed betaalde baan in een fabriek met airconditioning waarvoor ze in het thuisland hebben getekend. Sommigen krijgen slechts een fractie van het beloofde salaris, ze zijn kwetsbaar voor mishandeling en ze kunnen geen kant op omdat hun paspoort is ingenomen.

„We krijgen hier zóveel zaken binnen”, zucht Florida Sandanasamy van Tenaganita, een organisatie die zich inzet voor arbeidsmigranten. In de wachtruimte zitten daar altijd wel enkele Bengalen of Indonesiërs met een probleem. De meeste zaken gaan om loon dat niet wordt uitbetaald, zegt Sandanasamy. Maar er komen ook Indonesische dienstmeisjes, die worden geslagen door hun bazin. Of Indiërs die duizenden euro’s hebben betaald om naar Australië te gaan, maar in ‘transitland’ Maleisië worden achtergelaten zonder ticket, geld of contacten.

Ook Chemmiri Parambu Gopalan (25) en Assain Vaheed (23) uit het Indiase Kerala willen naar huis. Ze zouden 800 ringgit (170 euro) per maand verdienen in een restaurant, maar in twee jaar hebben ze dat nog nooit gekregen. Gopalan: „We werden altijd beschuldigd van alles. Dat we geld stalen, dat we expres glazen braken of dat we te veel ingrediënten gebruikten voor de nasi goreng. Dat werd allemaal van ons salaris afgetrokken.” Erger was dat het restaurant elk jaar drie maanden salaris inhield, voor de ‘kosten van hun verblijfspapieren’.

„Waar we echt niet tegen konden, was de fysieke mishandeling”, zegt Vaheed. Als de mannen een fout maakten, werden ze geschopt of in hun gezicht geslagen. Nu willen ze weg uit Maleisië, maar hoe? Het restaurant heeft hun paspoorten nog.

Dat bedrijven de paspoorten van hun buitenlandse werknemers ‘bewaren’, is het begin van alle ellende, zegt Sandanasamy van Tenaganita. Als migranten lastig worden, trekt de werkgever hun werkvergunning in en stuurt de immigratiedienst op hen af. De detentiekampen voor illegalen in Maleisië zijn berucht, net als de vrijwillige ordedienst RELA, die illegalen opspoort en geregeld wordt beschuldigd van geweld. Deze constructie voorkomt dat immigranten makkelijk een klacht kunnen indienen over uitbuiting of mishandeling door hun werkgever, want voordat ze dat kunnen doen, heeft de werkgever hen al illegaal laten verklaren.

Daardoor worden werkgevers zelden voor hun gedrag gestraft, zegt Apolinar Tolentino van bouw- en houtwerkersvakbond BWI. Als migranten een klacht indienen over geweld of achterstallig salaris, kunnen ze soms een tijdelijke verblijfsvergunning krijgen om het verloop af te wachten. In die tijd mogen ze niet werken en zitten ze dus zonder geld. Tolentino: „Daarom willen de meesten gewoon een vliegticket en zo snel mogelijk weg uit deze hel.”

Nu de wereldwijde recessie heeft gezorgd voor een krimp van 15 procent in Maleisiës export in december, wentelen sommige bedrijven een deel van hun verliezen af op hun buitenlandse werknemers. Ze mogen minder werken en krijgen minder of niets betaald. Maar weg mogen ze vaak ook niet, want de terugtocht kost geld en bovendien trekt de economie over een half jaar misschien wel aan.

Voor de tientallen Nepalezen die in het verborgen trefpunt van migrantenvereniging Hand in Hand een poging doen om zich te organiseren, is dit de realiteit. Ze hebben niet nagekomen arbeidscontracten bij zich, waarin oude beloftes staan en kleine lettertjes die nu opeens relevant worden.

Mani Raj Adhikasi (25) kwam drie maanden geleden uit Nepal. Maar in de fabriek waar hij onderdelen maakt voor elektronica van Samsung, Sony en Panasonic, kan hij maar halve dagen werken en krijgt hij dus ook maar half betaald. En Pemba Thing dacht dat hij 1.000 ringgit (215 euro) per maand zou gaan verdienen in een fabriek, maar moet nu schepen laden en lossen. „Er is nauwelijks werk”, zegt hij. In de eerste twee weken van februari kwamen er zeven schepen, en hij krijgt 20 ringgit per schip. Van zijn salaris moet hij – tegen de afspraak in – 220 ringgit belasting betalen.

„Ik wilde graag naar Maleisië, want ik hoorde er goede dingen over”, zegt zijn collega Rabindra Chaudhary (27). Maar zes maanden geleden kreeg hij een container op zijn hand: hij heeft geen pink meer, zijn middel- en ringvingers zijn beschadigd. Hij leeft met hulp van zijn vrienden. „Ik heb medelijden met mezelf”, zegt hij. „Ik heb een fout gemaakt.”