Beledig de islam nooit, zeg liever bedankt De tijd van waardigheid (650-1050) De tijd van vernedering (1050-1950 De tijd van ontgoocheling (1950-nu) ) Nieuwe waardigheid?

De islam bracht veel rijkdom die bijdroeg aan de opgang van Europa en de VS.

Meer besef hiervan is nodig bij het Westen.

Zelden bleek de Arabische wereld zo verdeeld als tijdens het Israëlische offensief in de Gazastrook, in januari dit jaar. Drie weken en 1.100 Palestijnse doden later lukte het de koningen, emirs en presidenten van de Arabische Liga nog niet om bij elkaar te komen. Veel groter kan het verschil niet zijn tussen deze verdeeldheid en de eensgezindheid waarmee de Arabische stammen ooit een rijk wisten te vestigen van Spanje tot India. De huidige Arabieren zijn zich hiervan bewust en schamen zich ervoor.

Om bij hun eigen gloriejaren uit te komen moeten de Arabieren maar liefst duizend jaar terug in de tijd. Tussen toen en nu ligt een lange en vernederende periode van overheersing. Dat doet zeer en maakt veel Arabieren uiterst gevoelig voor meer smaad – vooral wanneer de minachting zich richt op de islam, zoals vaak gebeurt in het multiculturele debat.

Want het was juist de islam waardoor de Arabieren wél iets wisten bij te dragen aan het cultureel erfgoed van deze wereld. De islam bracht een culturele en economische rijkdom voort die in belangrijke mate de opgang van Europa en later Amerika heeft bepaald. Daar zijn de Arabieren zich ook van bewust, en het kan hen razend maken wanneer westerlingen daar laatdunkend aan voorbijgaan.

De volgende feiten maken duidelijk waarom respect – vooral vanuit het Westen – heel wat woede en frustraties bij Arabieren kan voorkomen.

Het was de profeet Mohammed die de Arabieren wist te verenigen onder één geloof en één way of life. En dat was nog maar het begin. Eenmaal verenigd boekten de Arabieren – die meer kamelen bezaten dan welk ander volk ook en zich uitstekend konden verplaatsen in de woestijn – vele overwinningen. Twintig jaar na de dood van Mohammed in 632 hadden de moslims al een rijk gevestigd van Libië tot Iran. Tijdens de dynastie van de Omajjaden (661-750) kwam daar nog Afghanistan, Pakistan, de rest van Noord-Afrika en Spanje bij.

Dat waren natuurlijk gewoon veroveringen, en wee je gebeente als je de Arabieren tegenwerkte. Maar de moslims waren niet agressiever dan andere volken in die tijd. Ze gedroegen zich naar de huidige maatstaven zelfs beter dan de christenen, want in het Arabische rijk was meer godsdienstvrijheid dan bijvoorbeeld in het rijk van Karel de Grote (rond 800).

En net als het christendom in Europa bracht de islam in de veroverde gebieden culturele en economische voorspoed doordat mensen dezelfde taal leerden spreken, profiteerden van elkaars kennis en kunde, en op basis van dezelfde wetten handel dreven.

Omdat Mohammed zelf koopman was geweest, hadden de Arabieren een groot respect voor de handel. Langs de karavaanroutes en kusten van Afrika en Azië bouwden zij een uitgebreid handelsnetwerk op: van China tot Madagaskar. Het was zo voordelig om tot het islamitische handelsweb te behoren, dat velen in Afrika en Azië zich bekeerden tot de islam: eerst handelaren en later koningen.

Tijdens de dynastie van de Abbasiden (750-1258) bereikte het Arabische rijk zijn hoogtepunt. Kunst, architectuur, wetenschap, handel en nijverheid kwamen tot grote bloei. Teksten van Griekse filosofen werden vertaald en becommentarieerd, en er werd grote vooruitgang geboekt in de wiskunde, astronomie en geneeskunde.

In Spanje werd in 929, door een Arabier die door de Abbasiden was verstoten, het Kalifaat van Córdoba uitgeroepen. Geen enkel ander gebied in Europa kon tippen aan het culturele niveau van dit moslimrijk. Veel geleerden in Europa trokken naar de Leerscholen van Córdoba, Toledo en Sevilla om kennis van de oudheid op te doen.

Tussen 1000 en 1500 zou het islamitische rijk nog twee keer zo groot worden en de islam zelfs de grootste religie in de wereld zijn. Maar de hoogtijdagen van de Arabieren waren voorbij. De interne strijd tegen de shi’ieten (die het heerschappij van de Abbasiden niet erkenden) verzwakte het rijk. De Perzen vochten zich vrij in het Oosten, Berbers vestigden rijken in Noord-Afrika en Spanje, en bovenal kregen de Turken de macht in handen.

Formeel bleef het Arabische rijk tot 1258 voortbestaan, toen Bagdad door de Mongolen werd verwoest. Maar de macht van de Arabieren was al gebroken in 1055, toen Bagdad werd veroverd door de Turkse Seltsjoeken. Rond 1280 begon met Osman I het Ottomaanse Rijk, een Turks rijk dat geleidelijk aan het hele Midden-Oosten veroverde en tot 1922 wist stand te houden.

Na de Eerste Wereldoorlog ontstonden de Arabische staten zoals wij die nu kennen, maar deze werden als protectoraten geregeerd door de Britten en de Fransen. De Arabieren voelden zich opnieuw vernederd door deze imperiale overheersing en verzetten zich ertegen. Pas in de jaren dertig en veertig verwierven veel Arabische staten alsnog hun onafhankelijkheid.

Nadat de Britten en Fransen waren vertrokken, leek er een tijd van vrijheid en voorspoed aangebroken. De export van olie zorgde voor nieuwe welvaart. Veel Arabieren droomden van een pan-Arabisch rijk dat opnieuw een belangrijke culturele en economische rol zou spelen in de wereld. In 1942 werd om deze reden in Syrië de Baath-partij begonnen, een socialistische en anti-westerse partij die later ook in Irak de macht zou grijpen. In 1945 werd de Arabische Liga opgericht en in 1958 riepen Egypte en Syrië de ene Verenigde Arabische Republiek uit.

Even leek het te gaan lukken; de jaren vijftig werden de jaren van de hoop. Maar in 1961 viel de Verenigde Arabische Republiek alweer uit elkaar. Socialistische regimes liepen vast in hun eigen bureaucratie. Republieken veranderden in dictaturen. De olie-inkomsten gaven de lokale elites een vaste machtsbasis waardoor iedere stimulans tot economische ontwikkeling en goed landsbestuur verdween. Onderwijs en gezondheidszorg werden verwaarloosd, mensenrechten werden geschonden.

En de bemoeienis van het Westen bleek allerminst voorbij. Met westerse steun kwam in Irak de Baath-partij aan de macht (1968), werd de oorlog tussen Irak en Iran gevoerd (1980-1987) en kon een dictator als Saddam Hussein eerst regeren en in 2003 worden afgezet.

Ook de staat Israël, in 1948 uitgeroepen met steun van het Westen, werd door veel Arabieren verbonden met vreemde overheersing van het Palestijnse volk. Tweemaal (in 1948 en 1967) probeerden zij deze vernedering ongedaan te maken door Israël gezamenlijk aan te vallen. Tweemaal verloren zij.

Vreemde overheersing (of kortweg: bezetting) is het trauma van de Arabieren. Elke associatie hiermee roept een gevoel van vernedering op. Ook de imperiale minachting van Europa en Amerika voor het Arabisch cultureel erfgoed, lokt deze woede uit.

Veel Arabieren hebben door de ellende van heden en verleden een laag zelfbeeld en weinig hoop. Hun enige troost is vaak de glorietijd van weleer. Als wij deze Arabieren ook nog eens de waarde van hun verleden afpakken door alleen maar af te geven op de islam en de Arabische cultuur, hoeven we niet verbaasd te zijn wanneer de extremistische organisaties in het Midden-Oosten vollopen met vrijwilligers.

Als wij willen dat de Arabieren niet alleen nostalgisch terugkijken, maar ook vooruitkijken naar een betere toekomst, zullen wij het besef van eigenwaarde en nieuwe kansen in hen moeten aanwakkeren. Dat betekent allereerst: de xenofobe houding tegenover de islam doorbreken en erkennen wat wij aan het Arabische erfgoed – en de islam die daaraan ten grondslag ligt – te danken hebben. Het betekent ook: meer respect voor de soevereiniteit van de Arabische staten en voor het Palestijnse recht op een eigen staat.

En natuurlijk, het moet van twee kanten komen: van de Arabieren mogen wij verwachten dat zij de Joden en de staat Israël respecteren, de mensenrechten respecteren, en de wereld ervan overtuigen dat zij onderschrijven wat er in de Koran (Soera 2:256) staat: ‘er is geen dwang in de religie’.

Evert Jan Ouweneel is cultuurfilosoof.