Achter de staart een slipspoor van honderd meter

De problemen met het gisteren neergestorte toestel van Turkish Airlines leken pas vlak voor de landing te beginnen. „Er is geen paniek. Mensen kreunen.”

Er lijkt niets aan de hand. Tot enkele ogenblikken vóór de crash verloopt de vlucht soepel, zeggen inzittenden een dag na de ramp. De passagiers maken hun riemen vast. Ook de daling gaat in eerste instantie goed, zegt Ahmet Arikan (39), een handelaar in auto-onderdelen uit Ankara. In een paar seconden gebeurt het. Het vliegtuig daalt snel en stort neer op een akker bij het dorp Zwanenburg.

De oorzaak van het neerstorten van het toestel van Turkish Airlines, gisteren om 10.31 uur, is nog onderwerp van onderzoek. Wel zijn er diverse overlevenden van de crash die hun verhaal hebben gedaan. Wat is er volgens hen precies gebeurd?

Wat de 23-jarige NS-beveiliger Mustafa Atman uit Roosendaal opvalt, is dat het toestel nogal laag vliegt. „We zitten rond de vierhonderd meter hoogte. Dat zie je op het beeldscherm. Er staat ook dat we nog twaalf minuten tot de landing hebben. Dat klopt niet echt. Maar die vluchtinformatie hebben ze wel vaker mis.”

Vlak nadat er in het vliegtuig is omgeroepen dat de landing begint, zegt de 60-jarige financieel consultant Henk Heijloo uit Heelsum, trekt het toestel ineens weg. „Naar links en dan naar boven. Het lijkt alsof de piloot een doorstart probeert te maken.”

Mustafa Atman omschrijft hetzelfde ogenblik als „turbulentie”. Volgens Ahmet Arikan daalt het vliegtuig „met de neus naar beneden”. Dat gaat hard, aldus de inwoner van Ankara. „Ik weet nog dat ik dacht: dit wordt een harde landing.”

Dan komt de klap. Plotseling, zegt Arikan, trekt de neus op. „Op dat moment raakt de staart van het vliegtuig de grond, en dan de neus.” Het vliegtuig breekt net vóór Arikans zitplaats. „Ik hoor vrouwen gillen. Dit alles gebeurt eigenlijk binnen vijftien seconden. Zo snel gaat het allemaal.”

Henk Heijloo vliegt naar voren. Alles tolt even, zegt hij. „Ik beweeg mijn armen en benen. Voel aan mijn hoofd. Ik ben ongedeerd. Heb je weleens een auto-ongeluk meegemaakt? Zo ruikt het. Naar kruit en talkpoeder van ontplofte airbags. Er is geen paniek. Mensen kreunen. Achter in het vliegtuig, ver weg, klinkt wel gegil.”

De staart van de Boeing 737-800 van Turkish Airlines steekt in de zompige klei van de omgeploegde akker. Ruim anderhalve kilometer vóór de Polderbaan, waar het toestel had moeten landen. Achter de staart bevindt zich een slipspoor van nog geen honderd meter, alsof de Boeing bijna loodrecht uit de lucht is komen vallen.

Vanaf snelweg A9 is het ongeluk goed te zien. Automobilisten parkeren op de vluchtstrook, klimmen over de vangrail en proberen bij het wrak te komen. Samen met bewoners van omliggende boerderijen zijn zij de eerste mensen ter plaatse.

Heijloo denkt „dat de zaak weleens zou kunnen ontploffen”. Hij zit vlak bij de nooduitgang en gaat naar buiten, zodra zijn buurman hem heeft bevrijd uit zijn gordel. Veertig à vijftig mensen volgen hem. Hij gaat nog terug om zijn bril te pakken, en zijn jasje. „Dat zit onder het bloed, van anderen. Ik wil best anderen helpen, maar het heeft geen zin. Er zijn vliegtuigspotters en genoeg andere passagiers die helpen.” Ahmet Arikan ziet een stewardess met een gebroken arm, maar heeft zelf „te veel pijn” om anderen te helpen. Ook hij verlaat het toestel via de vleugel.

Een van die helpende passagiers is Mustafa Atman. Hij rent naar buiten en gelijk weer terug. De gewonden bevinden zich vooraan en achteraan. Het midden van het toestel is relatief ongeschonden. De NS-beveiliger wrikt, samen met anderen, passagiers tussen de stoelen vandaan. „Eentje zit bijna tot zijn knieën in de modder. Die moeten we echt uitgraven. We dragen kinderen naar buiten.” Eén man, met een gebroken been, verlaat het vliegtuig op de rug van Mustafa Atman.

De hulpdiensten komen, volgens de schattingen van de passagiers, na 15 tot 25 minuten. In totaal zijn er 750 hulpverleners ingezet. Ahmet Arikan wordt samen met andere gewonden afgevoerd naar een loods. De zwaargewonden vertrekken het eerst naar een ziekenhuis, per ambulance.

Drie kwartier na het ongeluk, als verslaggevers van deze krant arriveren, zijn ongeveer veertig ambulances met gillende sirenes gewonden af aan het voeren. Politieagenten hebben de toegangswegen afgezet. Alleen journalisten kunnen iets dichter bij het vliegtuigwrak komen. De brandweer staat klaar, maar er breekt geen brand uit.

Tientallen hulpverleners kruipen door een enorme scheur in de romp van het toestel naar binnen. Ze dragen gewonden uit het vliegtuig. Even later worden er witte bodybags in de bruine klei gelegd, zes naast elkaar.

Ahmet Arikan belandt in het Kennemer Gasthuis in Haarlem. De artsen maken een röntgenfoto van zijn rug, maar hij heeft niets gebroken. ’s Avonds wordt hij opgehaald door kennissen. Hij probeert vandaag, of uiterlijk morgen, terug te vliegen naar Turkije.

Mmv Carola Houtekamer, Jaus Müller, Ahmet Olgun, Esther Rosenberg en Derk Walters