'Wilt u zitten?'

Onlangs gaf ik in deze rubriek (Twee kistjes, 12 februari) een ervaring weer van een 62-jarige vrouw, die in een volle bus tevergeefs een zitplaats zocht. Ze vroeg aan een vader om zijn driejarige kind op schoot te nemen, maar hij weigerde. Ik noemde deze anekdote „herkenbaar voor ouderen die veel met het openbaar vervoer reizen”.

Daarop kreeg ik, zowel schriftelijk als mondeling, een aantal interessante reacties die me vooral leerden dat je in zulke kwesties moet oppassen met generaliseren (in andere kwesties trouwens ook).

Een van de opmerkelijkste reacties kwam van emeritus hoogleraar antropologie André Köbben, inmiddels 83 jaar oud, die schreef: „Het gekke is, mijn ervaring is anders. Ik ben oud, écht oud, maar heb geen handicap. Ik rij geen auto, nooit gedaan trouwens. Daarom maak ik geregeld gebruik van trein, metro en bussen. Soms ook als het erg druk is. Wanneer ik daar dan sta, is er bijna altijd een jong persoon, man of vrouw, blond, bruin of zwart die opstaat en vraagt: ‘Wilt u niet liever zitten?’”

Tegelijkertijd kwam er een reactie binnen van een Rotterdamse lezer, die een bijna identieke ervaring beschrijft als die uit Twee kistjes. Een, naar later bleek, 87-jarige vrouw was in een overvolle bus gestapt, mijn lezer had toen aan twee kinderen gevraagd op te staan. Een blonde vrouw gilde daarop dat háár kinderen bleven zitten. Een andere reiziger begon zich er ook mee te bemoeien: „Waar zitten die kankerlijertjes?” Hij pakte de kinderen op en smeet ze bij moeder op schoot.

Met deze twee tegengestelde reacties in het achterhoofd heb ik de afgelopen weken iedere oudere bestookt van wie ik vermoedde dat hij of zij veel met het openbaar vervoer reisde. Welke ervaringen hadden zij? Zelf verkeer ik nog in de gezegende omstandigheid dat ik geen eigen ervaring op dit gebied heb. Ik verheug me er niet op dat het onvermijdelijk ooit zover zal komen. Tot zolang blijf ik nog zélf dapper opstaan, vooral voor vrouwen en – voeg ik er verdacht snel aan toe – niet alleen als ze mooi zijn.

Mij bleek vooral dat de ervaringen zo wisselend zijn dat er weinig peil op te trekken valt. In hetzelfde grotere gezelschap kon een bejaarde mij met stelligheid vertellen dat er vrijwel nooit voor haar werd opgestaan, terwijl nota bene een ongeveer even oude man mij verzekerde dat hij in dit opzicht zeer tevreden was over de jeugd.

Interessant was de waarneming van een oudere vrouw, die me schreef dat ze hoopte dat de inburgering van allochtone jongeren zou mislukken. Zij waren namelijk tot dusver de enigen die áltijd voor haar opstonden. Zelfs bij de PVV zullen ze dit met genoegen vernemen.

Om kort te gaan, ik bleef tamelijk radeloos achter na mijn steekproeven. Viel hier nog enige deugdelijke chocola van te maken? Natuurlijk neem ik ervaringen als van Köbben zeer serieus, maar om die verontwaardigde reacties kan ik evenmin heen.

Toch zal ik voorzichtig enkele voorlopige onderzoeksresultaten prijsgeven. Hoe ouder je als bejaarde bent, hoe meer er voor je wordt opgestaan. Zestig is te jong, zeventig een twijfelgeval, tachtig wordt menens, boven de negentig wordt er op het achterbalkon eventueel een bedje voor je uitgeklapt door Marokkaanse rotjochies.

Ik geef toe dat ik dit ook tevoren had kunnen bedenken, maar dat geldt voor zoveel sociologisch onderzoek.