Vroeger was de mens non-stop aangeschoten

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: de betekenis van alcohol in het Westen.

Er gaat tegenwoordig bijna geen dag voorbij of je leest wel iets in de krant over het overmatige alcoholgebruik onder jongeren. Een erg „eenzijdig beeld” van de werkelijkheid, schreef de 15-jarige Fé Toussaint afgelopen maandag al in deze krant, want ook veel volwassenen drinken graag hun glaasje mee – „en daar hoor je nooit iets over op het nieuws”, aldus de scholiere.

Nu is het wel zo dat de Nederlandse jeugd steeds vroeger en steeds meer is gaan drinken: ruim 80 procent van de jongeren tussen 12 en 15 jaar gebruikt wel eens alcohol en zeker de helft is ooit dronken geweest. Dat is bijna een verdubbeling in twintig jaar. Onder adolescenten is het drankgebruik veruit het hoogst: 40 procent van de jongvolwassenen tussen de 18 en 24 jaar drinkt meer dan veertien glazen alcohol per week, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

De Nationale DenkTank van jonge wetenschappers luidde begin deze maand dan ook de noodklok: „De toekomst van ons land drinkt zich dom”, schreven zij in nrc.next. De DenkTank pleit ervoor om de minimumleeftijd voor het aanschaffen van alcohol te verhogen van 16 naar 18 jaar.

Toch is Nederland als geheel geen land van zware drinkers. „Vrijwel nergens in Europa wordt zo weinig gedronken als in ons land”, constateerde het CBS eind vorig jaar nog in een vergelijkend onderzoek. Met een gemiddelde van 8 liter pure alcohol per jaar loopt Nederland ver achter op Europese landen als Luxemburg, Ierland, Duitsland en Spanje.

Alleen in Zweden, Italië en Griekenland wordt minder gedronken dan hier. Bovendien is de consumptie onder volwassenen al zeker dertig jaar stabiel gebleven. Het vele drinken onder jongeren lijkt dus eerder een tijdelijke opleving dan een permanente trend; er zijn weinig mensen die het drinkgedrag uit hun studententijd ook tijdens de rest van hun (werkzame) leven voortzetten.

Wie ons drinkgedrag vanuit historisch perspectief bekijkt, ontdekt bovendien dat de westerse kijk op alcohol de afgelopen tweehonderd jaar drastisch ten negatieve is veranderd, schrijft de Amerikaanse wetenschapper Bert L. Vallee in zijn essay Alcohol in the Western World (uit de Scientific American van juni 1998). Zeker tien millennia lang was alcohol namelijk de meest normale dagelijkse dorstlesser van de mens, aldus Vallee.

Sterker nog, vanaf de opkomst van de landbouw – nu tienduizend jaar geleden – tot aan omstreeks de zeventiende eeuw, waren bier en wijn praktisch de enige dranken die door mensen van alle leeftijden op regelmatige basis werden genuttigd. Niet voor niets kreeg alcohol in de Middeleeuwen de bijnaam aqua vita – levenswater. „Het klinkt misschien schokkend”, schrijft Vallee, „maar alcohol is het fundament geweest van de ontwikkeling van onze cultuur.”

Dat alcohol een zeer belangrijke rol speelde in de vorming van onze beschaving had eigenlijk één simpele reden: een chronisch gebrek aan schoon drinkwater. Ruim tienduizend jaar lang was het overgrote deel van het water ondrinkbaar door vervuiling, met name van menselijke uitwerpselen.

Bier en wijn waren daarentegen, door hun hoge zuurgraad en anti-septische kracht, vaak wél vrij van ziekteverwekkers en konden dus veilig worden gedronken.

Het is daarom geen toeval dat in de meeste Oudgriekse teksten alsook in de Bijbel bijna geen enkele verwijzing te vinden is naar water als drinkbare vloeistof. Dat Jezus in het Nieuwe Testament water in wijn verandert is historisch gezien dan ook niet zozeer een ‘wonder’ als wel een verkapt gezondheidsadvies: het werd mensen in die tijd sterk aangeraden om alcohol in plaats van water te drinken. Zelfs het woord akratidzomai, Oudgrieks voor ‘ontbijten’, betekent letterlijk vertaald ‘onverdunde wijn drinken’.

In het Midden-Oosten en Verre Oosten was alcohol overigens van oudsher veel minder belangrijk dan hier, schrijft Vallee. Dat had voornamelijk een genetische oorzaak: de meeste Aziaten en Arabieren missen, tot op de dag van vandaag, een bepaald enzym in hun lichaam dat helpt bij de afbraak van alcohol, waardoor drinken als zeer onplezierig wordt ervaren.

Maar er lag ook een culturele oorzaak ten grondslag aan hun meer gematigde alcoholgebruik: anders dan in het Westen was in het Oosten het koken van water, met name voor het maken van thee, tweeduizend jaar geleden al een wijdverspreid gebruik. Aziaten en Arabieren hadden dus eerder drinkbare alternatieven voor alcohol.

In het Westen werd het koken van water (en daarmee het drinken van koffie en thee) pas in de zeventiende eeuw gemeengoed; tot die tijd was alcohol – ook door het gebrek aan calorierijk voedsel – het gezondste alternatief dat voorhanden was. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk dat gedurende het grootste deel van de westerse geschiedenis „de normale gemoedstoestand van de mens licht aangeschoten was”, schrijft Vallee.

Nu lijkt dat praktisch onvoorstelbaar, maar vóór de industrialisatie was het niet echt een probleem: er waren immers nog geen zware machines of auto’s die bestuurd moesten worden. Een benevelde gemoedstoestand wordt in het bijbelboek Spreuken zelfs toegejuicht als een manier om de misère van alledag, zoals de enorme plagen die in die tijd heersten, te vergeten: „Geef sterke drank aan hen die stervende zijn en wijn aan de zwaarmoedigen. Laat ze drinken om hun armoe en ellende te vergeten.”

Alcohol is dus eeuwenlang beschouwd als een uiterst gezonde, veilige en opwekkende vloeistof. Een uitvinding in de achtste eeuw na Christus, door de meeste historici toegeschreven aan de Arabieren, bracht daar echter verandering in: destillatie. Na zich tienduizend jaar te hebben bezondigd aan relatief lichte alcoholische dranken, werd het Westen opeens geconfronteerd met alcohol in zeer geconcentreerde vorm.

De praktijk van alcoholdestillatie verspreidde zich via het Midden-Oosten (de islam kende destijds nog geen verbod op alcohol) langzaam maar zeker naar Europa en werd in de zestiende eeuw gemeengoed. En met de toegenomen sterkte van alcoholische dranken, nam ook de (religieuze) weerzin tegen alcohol toe. De felste tegenstanders, zoals de Britse Methodisten, kenden in eerste instantie door een gebrek aan alternatieven nog weinig aanhang, maar toen veilig drinkwater in de achttiende eeuw ruimschoots beschikbaar werd – en wetenschappers talloze schadelijke effecten van gedestilleerde alcohol ontdekten – kreeg drank de naam ‘gevaarlijk’ en ‘ongezond’ te zijn.

Hierdoor degradeerde alcoholconsumptie als het ware van een primaire levensbehoefte tot een cultureel bepaalde sociale praktijk. In de meeste landen wordt sporadisch drankgebruik nu gezien als een goede manier om te ontspannen of om iets te vieren; structureel drinken, zoals vroeger gewoon was, wordt daarentegen alom beschouwd als een sociaal probleem.

De reden dat jongeren in Nederland meer dan gemiddeld drinken is waarschijnlijk dus ook sociaal-cultureel van aard: onder jongeren – met name studenten – wordt veel en vaak drinken als iets nastrevenswaardigs beschouwd. Niet zelden gaan jongeren uit met als doel dronken te worden – en wie niet drinkt tijdens feesten of studentenavonden wordt als ‘spelbreker’ gezien.

Het is daarom maar de vraag of het verhogen van de minimumleeftijd voor het aanschaffen van alcohol, zoals de Nationale DenkTank voorstelt, wel zo effectief zal zijn als de status van drinken onder jongeren niet tegelijkertijd lager wordt. Het drankgebruik onder jongeren in bijvoorbeeld de Verenigde Staten, waar de minimumleeftijd 21 is, ligt ook niet veel lager dan in Nederland. De Amerikaanse economen Richard Thaler en Cass Sunstein stellen in hun boek Nudge (2008) dan ook vast dat er een betere manier is om drankgebruik tegen te gaan: de zogenoemde „sociale norm methode”.

Met deze methode wordt getracht de perceptie van wat ‘maatschappelijk geaccepteerd’ is te veranderen door middel van beeldvorming. Zo heeft de Universiteit van Montana het drankgebruik op de campus sterk teruggebracht door studenten met reclamespotjes en advertenties voor te spiegelen dat weinig of niet drinken sociaal gezien ‘normaal’ was. In die spotjes werd dan beweerd dat ‘70 procent van de jongeren maar drie glazen bier per week drinkt’. Of dat ook echt het geval was, deed er niet toe: uit angst om buiten de groep te vallen, pasten de meeste studenten hun gedrag aan. De voorgespiegelde norm werd daardoor vanzelf de werkelijke sociale norm.

Restrictieve maatregelen, zoals het verhogen van de minimumleeftijd of het verwijderen van alcoholische dranken uit de schappen van de supermarkt, zouden dus vermoedelijk minder noodzakelijk zijn als geheelonthouding of weinig drinken sociaal meer geaccepteerd zou worden. Nu is het toch nog vaak zo dat degene die een colaatje bestelt tijdens het uitgaan, wordt beticht van ongezellig of zelfs abnormaal gedrag. Drank heeft in die zin dus een ‘imagoprobleem’: het is nog altijd te populair.

Tenminste, voor 21ste eeuwse begrippen dan.