Van auto-onderdelen naar plastic koffielepeltjes

Ondernemers die een heel dorp of stadje werk verschaffen, hebben het in deze crisis zwaar. Maar Paolo Codrino laat zich niet zomaar uit het veld slaan. Al is de Italiaanse ondernemer wel verbitterd.

Zijn vader en grootvader genoten groot respect in het kleine stadje Ottiglio. Maar Paolo Codrino laat zich er liever niet meer zien. „Er lopen te veel ex-werknemers van me rond. Mijn vader slaagde er altijd in om ze werk te bieden. Ik niet. Dat vreet aan me.”

Drie generaties lang garandeerden de Codrino’s werk aan de inwoners van dit stadje (800 inwoners) op een uur rijden ten zuidoosten van Fiatstad Turijn. Twintig jaar geleden hadden de Codrino’s in vijf fabrieken in de omgeving meer dan 1.500 man personeel. Nu heeft Paolo Codrino’s bedrijf Sacoplast nog maar 48 mensen in dienst. Ze maken plastic onderdelen voor auto’s van Fiat, Ford, Opel en Volvo.

De economische crisis dreigt nu ook daar een eind aan te maken. Tien van de zeventien plasticpersen staan stil. De omzet was in juli vorig jaar 1,1 miljoen euro, maar blijft nu al vier maanden steken op 300.000 euro. Eind december zijn de tijdelijke contracten van zeventien werknemers niet meer verlengd. De uitzendkrachten waren al naar huis gestuurd.

„Ik word deze week 50. Maar ik heb nog nooit zo’n rot jaar meegemaakt”, zegt Codrino tussen het ene en het andere telefoontje met schuldeisers door.

De productie van Fiat is met 30 procent ingestort. Dat komt hard aan in de regio rond Turijn waar 150.000 mensen werkzaam zijn in de autobranche. In heel Italië gaat het om 300.000 arbeidsplaatsen. 100.000 van hen, en 50.000 van hen rond Turijn, zitten sinds december maandelijks een of meer weken met staatsteun thuis. In plaats van netto 1.100 of 1.200 euro verdienen ze nu nog maar 600 tot 900 euro per maand. Pas als de vraag naar auto’s weer aantrekt, kunnen ze opnieuw volledig aan de slag.

„Ik ben met dingen bezig die niets te maken hebben met mijn beroep”, zegt Codrino. De dilemma’s voor ondernemers als hij die traditionele werkgever van een stadje of dorp zijn, blijken groot. Vragen dringen zich op als: Hoe moet je mensen ontslaan, wanneer je ze allemaal dagelijks kunt tegenkomen in het dorp. Welke criteria moet je toepassen? Productiviteit of juist sociale kwetsbaarheid?

Van de uitzendkrachten heeft Codrino één jongen aan het werk gehouden, omdat zijn ontslag zeker tot diens psychische ineenstorting zou hebben geleid: „Hem kon ik niet in de steek laten. Zijn broer is overleden. Hij is net gescheiden. Hij is verward. Als ik hem wegstuur, krijgt hij geen uitkering, en vindt hij geen werk.”

De fabriek aan de voet van de heuvel waartegen Ottiglio ligt, is eigenlijk een verzameling van grote, blauwe apparaten. Vloeibaar plastic stroomt er in stalen stempels. Die persen onderdelen voor automotoren. Ook de plastic binnenkanten van spatborden worden hier gedrukt. Antonella Mazziero snijdt met een mes het overtollige plastic van een spatbord af. Zij werkt nog maar de helft van de maand. Haar maandloon is naar eigen zeggen gehalveerd tot netto 400 euro. „Mijn man werkt in een andere fabriek op halve kracht. We moeten de broekriem aanhalen.”

Acht van Codrino’s 48 werknemers hebben thuis ernstige financiële problemen. Hij probeert ze te helpen door ze extra nachtdiensten te geven die 35 procent meer loon opleveren. „Op die manier kunnen ze hun loonderving als gevolg van de verplichte vrije weken compenseren.”

Codrino probeert korte termijnschulden op de middellange baan te schuiven. Sommige leveranciers gaan daarmee akkoord. Maar hen tevreden houden vergt veel tact. Ze willen hun geld en dreigen met rechtszaken. „Ik kan ze niet meteen betalen, omdat mijn klanten mij niet betalen. Die worden ook steeds harder. Ze stellen steeds meer leveringseisen.” Hij moet aankloppen bij banken. En die weigeren krediet te geven. Een probleem waar heel veel Italiaanse bedrijven mee kampen. Piero Codrino, broer van Paolo die 20 procent in Sacoplast heeft: „De rente is niet hoog, maar de banken zeggen gewoon nee als je om een extra lening vraagt.”

De Codrino’s proberen optimistisch te blijven, maar de verbittering overheerst. Paolo is depressief. „Vroeger had ik wel eens een baaldag, maar nu zit ik dagelijks de helft van de dag stuk.” Met Kerst schreef zijn arts hem een antidepressivum voor, maar hij slikt het niet meer. Het helpt niet. Hij mijmert veel over de tijd toen zijn opa en vader het familiebedrijf leidden.

Het verhaal van zijn familie staat volgens Paolo model voor de opkomst en neergang van het twintigste-eeuwse industriële kapitalisme in Noord-Italië. Grootvader Codrino was boer. In 1920 vertrok hij naar de VS. Hij leerde bij General Electrics een formule om elektrische kabels te isoleren. Terug in Piemonte begon hij zelf een bedrijf om die kabels te maken. Fiat was direct zijn grootste klant. Hij groeide. Er kwamen bedrijven bij. Maar gaandeweg stelde het Italiaanse autoconcern steeds weer nieuwe eisen en moesten bedrijven worden verkocht (zie kade). Alleen het bedrijf Sacoplast bleef uiteindelijk in handen van de familie. Paolo mocht aan Fiat blijven leveren als hij in Tunesië, Polen en China goedkoper zou produceren

Dat gebeurde. Maar jaar na jaar betaalden Fiat en ook andere klanten minder voor de producten die hij in die landen maakte. Paolo: „Dingen van dezelfde kwaliteit leverden steeds minder op. Uiteindelijk hebben we in 2001 onze vestigingen in Polen en Tunesië vrijwel gratis moeten wegdoen. Het avontuur heeft onze familie 2 miljoen euro gekost.”

Van 2003 tot 2006 was Codrino op verzoek van Fiat ook in China actief. De investering werd nooit rendabel, omdat de vraag achterbleef. Behalve 500.000 euro kostte hem dit avontuur veel energie, tijd en op en neer vliegen. „Alles tevergeefs.”

„Ik heb veel geld verloren, maar ook veel geloofwaardigheid. De 1.500 man die twintig jaar geleden nog voor ons werkten, kwamen door de overnames in dienst van multinationals die al spoedig veel mensen naar huis stuurden. Uiteindelijk hebben maar 180 van die werknemers hun baan behouden. De fabrieken die ik in het buitenland opende en die vervolgens zijn verkocht, liggen nu stil. Ook daar zit men zonder werk.”

Wat heeft hij verkeerd gedaan, vraagt Codrino zich vaak af. „Terugkijkend had ik beter in 1997 kunnen stoppen. Toen hadden we een familiekapitaal van meer dan 15 miljoen euro. Nu nog twee of drie miljoen.”

Codrino ging altijd door. Hij wilde de familietraditie trouw blijven. „Mijn vader zei altijd: wees eerlijk, werk hard en bescherm de banen die wij voor de mensen hebben gerealiseerd. Maar eerlijkheid en hard werken blijken onvoldoende om een bedrijf draaiende te houden in een geglobaliseerde wereld zonder regels.”

Broer Piero: „Het wilde kapitalisme heeft de economie en de industrie in het Westen kapot gemaakt.”

Toch blijven de broers hopen op herstel, al aan het eind van dit jaar. Piero is zelfs gematigd optimistisch. Hij investeerde een deel van zijn familiekapitaal in een fabriek die plastic koffielepeltjes maakt. Hij is nu marktleider in Europa. Sinds deze week denkt hij een gouden troef in handen te hebben: biologisch afbreekbare plastic koffielepeltjes. De eerste lepeltjes zijn net van de lopende band gekomen. „Bioplastic is de toekomst voor onze familie”, zo hoopt Piero die zelf kinderloos is. Paolo, vader van drie kinderen, betwijfelt of er ooit nog een vierde generatie Codrino’s in Ottiglio actief zal zijn.