Kleinschalige thuiszorg werkt

Groot is niet mooi, vindt Buurtzorg Nederland, als het om wijkverpleging gaat. Kleinschaligheid heeft het tij mee. De wijkzuster krijgt haar vak terug.

Het hoofdkantoor zit in de oude tandartspraktijk, niet toevallig naast het woonhuis van Jos de Blok. Eén parkeerplaats. Met zes mensen is het kantoor vol. Veel meer staf heeft Buurtzorg Nederland ook niet nodig, vindt hij. Waar zijn organisatie 8 procent overheadkosten heeft, is het bij de concurrentie al gauw 30 procent. En dat verschil, vindt De Blok, kan hij mooi gebruiken voor wijkverpleging zoals wijkverpleging bedoeld is.

Jos de Blok begon met Buurtzorg in 2006 en het netwerk breidt snel uit. Het bestaat uit kleine teams van verpleegkundigen (met hbo-opleiding) en ziekenverzorgers (mbo), die lokaal en zeer autonoom werken. De Blok telt „honderd teams, duizend wijkverpleegkundigen en tienduizend cliënten”, gespreid over het hele land. Negen teams beginnen de komende vijf weken.

Buurtzorg geldt als een succes. Wijkverpleegkundigen verlaten grote zorggroepen en melden zich aan. Huisartsen vragen om Buurtzorgteams. De top van het ministerie van Volksgezondheid prijst Buurtzorg luidkeels. De Blok dineert in april met premier Balkenende. Onderzoeksbureau Nivel vergeleek driehonderd thuiszorginstellingen en berichtte deze maand dat cliënten van Buurtzorg het meest tevreden zijn.

Het idee voor Buurtzorg ontwikkelde Jos de Blok (48), tot 1994 verpleegkundige, als manager innovatie bij de oostelijke zorggroep Carint. „Ik zag de afbraak van de wijkverpleging. Door opknippen van taken, indicering op afstand en meer managers kregen verpleegkundigen minder bevoegdheden en is het vak minder breed en aantrekkelijk geworden. Ik wilde dat de verpleegkundige weer waarde zou kunnen toevoegen.”

Dus nam hij ontslag, organiseerde coaching en ondersteuning en gaf verpleegkundigen „hun vak terug”. Die ondersteuning betreft vooral advies, administratie en financiële afwikkeling. Juridische en ict-expertise laat De Blok „invliegen”. Hij verdient 5.000 euro per maand, minder dan bij Carint en een fractie van wat in de top van de zorgsector gewoon is.

Buurtzorg Nederland sluit contracten met zorgkantoren voor de AWBZ-zorg; de wijkteams weten hoeveel uren zorg een cliënt zijn toegekend en rapporteren via de website de ‘geleverde’ uren. Ze krijgen conform cao betaald. Onderling verdelen ze taken en vakanties, ze zorgen zelf voor scholing en evaluatie. De Blok: „Zelfmanagement voorkomt veel gedoe. Als alles logisch en eenvoudig is, heb je geen ingewikkelde controlemechanismen nodig.”

Bas Leerink, bestuurslid van zorgverzekeraar Menzis, bevestigt dat: „De kleinschalige opzet is heel goed. Het is klantvriendelijk en bespaart op bestuurders en andere overheadkosten.” Hij stelt vast dat de thuiszorg elders vaak „niet handig” opereert. „Met aandacht voor het primaire proces valt meer te winnen dan dat je landelijk dingen aan elkaar gaat knopen.” Het „kapotgedetailleerde” systeem waarin per dienst per minuut wordt gedeclareerd, leidt volgens Leerink niet tot doelmatig werken.

Buurtzorg neemt niet te leveren uren als vertrekpunt, maar kijkt ter plekke wat nodig is. De Blok: „We streven naar zo zelfstandig mogelijke cliënten. Dat leidt tot minder uren zorg. Doordat we de mantelzorg beter ondersteunen, besparen we veel geld op ziekenhuisopnames, huisartsen en medicatie. Er is een verschil tussen efficiency en effectiviteit.”

Kleinschaligheid heeft het tij mee. Politieke en patiëntenorganisaties bezien de vorming van conglomeraten al langer met argwaan. De angst voor bureaucratie, complexiteit en ondoorzichtigheid wordt gevoed doordat grote zorgbedrijven als Meavita en Philadelphia diep in de problemen zitten.

Jos de Blok ziet dat de zorgreuzen goede intenties hebben – en daarin blijven steken. „Jaren heb ik gedacht dat ik structuren en systemen kon veranderen. Ik geloof niet meer dat de verbinding van instituten leidt tot betere zorg. Het is eerder een belemmering.”

Niet iedereen is overigens tevreden met Buurtzorg. Grote thuiszorgbedrijven kijken er met gemengde gevoelens naar. Ze prijzen het ‘concept’. Maar ze zien ook gekwalificeerd personeel opstappen, en dat doet op de krappe arbeidsmarkt extra pijn.

Bovendien wordt kleinschaligheid hun telkens voorgehouden als oplossing voor alle feilen in de zorg. Terwijl grootschaligheid en bundeling van soorten zorg echt wel voordelen heeft, stelt directeur Kees Heijblom van zorggroep Rivas in Gorinchem: „Als de griep toeslaat, hoe vang je dan je zieken op met zo’n klein team? Ik heb altijd voldoende mensen. Voor goed afgestemde ketenzorg is het handig als je alles in één hand hebt.”

Jos de Blok: „Het is hun manier van denken, en het gebrek aan praktische kennis bij al die managers. Zij richten zich op de kosten per uur, op de organisatie en coördinatie van taken, niet op het maatschappelijk perspectief van dagelijkse, concrete gezondheidszorg.”