Iris van Dongen maakt clichéverleidsters

Tentoonstelling: Iris van Dongen. Tekeningen 2003-2009. T/m 10/5. Stedelijk Museum Schiedam. Di-zo 10-17u. Inl: 010-2463666, stedelijkmuseumschiedam.nl

Lange tijd golden in de beeldende kunst maar weinig regels. Je kon schilderen of tekenen hoe je wilde. Je kon zonder kennis van zaken een filmcamera hanteren of beeldhouwen. Eigenlijk was er maar één criterium: het moest vernieuwend zijn. Kunst moest nieuwe inzichten aandragen, nieuwe vormen en beelden creëren, nieuwe media hanteren, wegen bewandelen die nog niemand had bewandeld.

Als we de lezingenserie The Old Brand New mogen geloven, is deze ‘cult of the new’ problematisch geworden. Het postmodernisme van de jaren ’80 en ’90 lapte het dictaat van vernieuwing aan de laars. Retrokunst werd salonfähig. Citeren en samplen bij diverse kunststromingen werd verheven tot stijlmiddel. Kitsch kon best ook kunst zijn, en omgekeerd.

Of toch niet?

Iris van Dongen (1975) is zo’n ongegeneerde retrokunstenaar. In de jaren ’90 ontdekte ze op de kunstacademie van Den Bosch dat ze het liefst levensgrote portretten maakte van mooie vrouwen en meisjes. Als materiaal gebruikte ze het ouderwetse grafietpotlood en soft pastelkrijt, waardoor de vrouwen een doezelig, mysterieus, haast rul aanzien kregen.

Van Dongens werk sloeg aan. Ze werd opgepikt door de galerie van Diana Stigter in Amsterdam. Groepstentoonstellingen en galeriepresentaties in binnen- en buitenland volgden elkaar op en er was een prestigieus verblijf in het Künstlerhaus Bethaniën in Berlijn. Inmiddels woont ze daar.

Het Stedelijk Museum in Schiedam is nu het eerste museum dat een overzichtsexpositie organiseert. Over twee verdiepingen verspreid zijn werken op papier te zien, ontstaan in de laatste zes jaren. Nog steeds maakt Van Dongen grote portretten van vrouwen, met een toenemende hang naar neogotiek en vampierachtige parafernalia. Haar palet is als een nacht bij volle maan, met vreemd wasemend licht, grote slagschaduwen en hier en daar een felle toets. De vrouwen staren met omfloerste ogen de verte in. Ze verschijnen als nimfen in een vochtig bos. Ze verleiden en verstrikken. Ze ontbloten hun borsten behaagziek, verbergen hun ogen, en wee de man die dichtbij komt: aan hem klauwen ze zich vast in een verstikkende omhelzing.

Er wordt vaak gezegd dat Van Dongen geëmancipeerde vrouwen schildert. Autonome vrouwen, amazones van de 21ste eeuw die geven maar vooral nemen, met name seksueel. Toch geeft het overzicht in Schiedam een minder strijdvaardig beeld. Met zoveel tekeningen bij elkaar, valt vooral op hoe clichématig haar vrouwen zich presenteren en hoe zeer ze beantwoorden aan wat mannen mooi en opwindend vinden.

In deze tekeningen wordt maar weinig lef en originaliteit geopenbaard. De slangachtige heldinnen en de mysterieuze droomsters gooien zichzelf in de strijd, zoals vrouwen zich al eeuwen lang in de kunst in de strijd werpen: als hoer, heks, nimf, profetes en sfinx. Ze symboliseren niet hun bevrijding, maar hun eigen gevangenis. Gevangen in een mannenideaal.

Als retrokunstenaar heeft Van Dongen nooit geheimzinnig gedaan over haar inspiratiebronnen: de symbolistische schilders Arnold Böcklin, Edvard Munch, Félicien Rops of Redon. Ze kon daar ook niet heimelijk over doen, daarvoor zijn thematiek en uitvoering te zeer verwant. Alleen, en dat is het spijtige, zijn Van Dongens voorgangers vele malen beter, indrukwekkender en – ja – vernieuwender. Waar bijvoorbeeld Munch er in De Schreeuw in slaagde om de klassieke vorm van een gezicht zodanig te vervormen totdat die vorm haast geluid leek te maken, doet Van Dongen niet meer dan bekende beelden reproduceren.

Odilon Redon – een van haar meest geliefde voorbeelden – stelde ooit dat hij met zijn vreemde, fantastische wereld „in het bewustzijn van de beschouwer opnieuw, in al zijn aantrekkingskracht en spontane betovering, het ondefinieerbare [wilde] oproepen dat op de uiterste grens van het denken ligt.” Van Dongen bereikt die grens niet, en misschien ambieert ze het niet eens. Haar heldinnen bevestigen bekende beelden.