'Ik heb niemand nodig die alles voor mij verzint'

Wat te doen als de thuiszorg van een grote instelling niet bevalt? Het echtpaar Middag ging in zee met Buurtzorg. Die willen niet „alleen hun kunstje doen in zo min mogelijk minuten”.

Riet Middag kwam vorig jaar na een herseninfarct weer thuis in Lexmond. Halfzijdig verlamd. Niet in staat tot lopen en praten. Hoewel formeel ‘uitgerevalideerd’, boekte ze met de mantelzorg van echtgenoot Ben, therapie en alle hulp toch vooruitgang. De vaste krachten die aanvankelijk thuiszorg verleenden, werden echter al snel telkens wisselende verpleegkundigen. „Zeven verschillende per week. Gelukkig droegen ze naambordjes”, zegt Ben.

Hij wist ook: „Dit kan niet goed zijn.” Zo moest Riet leren tandenpoetsen, maar pakten de verpleegkundigen dat ieder op hun manier aan. Ben vond het niks. „Mijn vrouw ging huilen als er weer andere mensen kwamen.”

Hij belde de ‘zorglijn’ van thuiszorgbedrijf Rivas. „Ze hebben geprobeerd me met zeven mensen in contact te brengen, maar die dag was niemand bereikbaar.” En toen hij toch iemand te spreken kreeg, kwam zijn klacht niet over. „De leiding verplaatst zich niet in de cliënt. Die willen vooral hun kunstje doen, in zo min mogelijk minuten. De arrogantie! En je hebt geen alternatief.”

Ben en Riet Middag waren blij verrast toen dat alternatief zich toch aandiende. Zeventien verpleegkundigen waren bij Rivas opgestapt, om in hun gemeente Zederik als team voor Buurtzorg te gaan werken. „Een soort groenekruiszusters, een kleine groep, dichtbij, goed bereikbaar – precies wat je wil.”

Het echtpaar Middag ziet nu doordeweeks twee wijkverpleegsters van Buurtzorg, en een derde in het weekeind. Steeds dezelfden, zegt Ben, „zodat ze kunnen meegroeien met het functioneren van mijn vrouw”. Dat brengt rust en regelmaat.

Hij prijst de vakbekwaamheid van zijn wijkverpleegsters. Ze overleggen met andere hulpverleners, kunnen injecties plaatsen, een infuus aanleggen, bloedsuiker meten. Ze helpen Riet met alledaagse bezigheden als wassen, aankleden en opmaken. En ze nemen de tijd voor hem. „Ik wil ook wel eens wat vertellen.”

Het is precies díé manier van werken die verpleegkundige Marja Sluis uit Vianen vorig jaar deed besluiten Rivas, met duizenden medewerkers, te verruilen voor Buurtzorg. Rivas zag ze voortdurend groeien, managementlagen en papieren rompslomp rukten op. „Er wordt door een economische bril naar de zorg gekeken. Het moet zo goedkoop mogelijk.”

Vroeger wás het beter, vindt ook Aagje Jansen, die zich met dertig jaar thuiszorgervaring aansloot bij Sluis. Met weemoed denkt ze aan haar eerste jaren in het vak, toen ze een team vormde met drie wijkverpleegkundigen. „Dicht bij de mensen, in nauw overleg met de huisarts.”

Die betrokkenheid hoopt ze bij Buurtzorg terug te vinden. Want het beroep van wijkverpleegkundige, zegt ze, wordt „uitgehold”. Steeds grotere zorgorganisaties hevelen taken over naar goedkopere, lager geschoolde krachten. Jansen: „Niemand kan mij uitleggen waarom het goedkoper is dat je eerst iemand laat komen voor het wassen, en dan iemand om te zwachtelen. Je rijdt achter elkaar aan. Een verpleegkundige die beide taken doet, heeft meer tijd en kan beter signaleren. De waarde daarvan wordt onderschat.”

Sluis: „Als iemand met een nieuwe heup uit het ziekenhuis komt, moet hij thuis aan zijn zelfredzaamheid werken. Ik ben opgeleid om dat te bevorderen. Krijg je een hulpverlener die dat niet heeft geleerd, dan moet zo’n cliënt veel langer worden verzorgd. Alsof dát niet duur is.”

Het besluit over te stappen naar Buurtzorg viel in oktober 2008. Marja Sluis kende voldoende mensen die het ook graag allemaal anders wilden. Pogingen binnen Rivas iets vergelijkbaars te doen, vertelt ze, liepen stuk op de structuur en de cultuur, op vergaderingen, commissies en pilots. „De hele gezondheidszorg hangt aan elkaar van protocollen, normeringen en controles. Ik weet wat ik kan en dat doe ik goed. Ik heb niemand nodig die het allemaal voor me verzint.”

Het afscheid bij Rivas viel lichter dan gedacht. Toen Marja en haar collega’s ten slotte hun vertrek aankondigden, kregen ze van „monopolist” Rivas een „onaardige” brief mee die waarschuwde voor juridische stappen als cliënten in hun kielzog bij Rivas zouden vertrekken. Via huisartsen, lokale publiciteit, mond-tot-mondreclame en aanschrijven van ouderen- en vrijwilligersorganisaties druppelen de cliënten nu binnen.

Toen Ben Middag Rivas liet weten met Buurtzorg in zee te gaan, reageerde de districtsmanager opmerkelijk: „Ze zei dat ze hetzelfde gedaan zou hebben”.