Humor in de horeca

Humor en horeca: een ongelukkige combinatie. Laatst was ik in een brasserie waarvan ik de naam niet zal noemen. Het was in deze brasserie onmogelijk om een gerecht te bestellen dat géén grappige naam had. Een mandje brood met kruidenboter heette ‘rustgevend voorspel’. Een salade met gerookte kip heette ‘Sonjaadegijok?’ (dat is Brabants voor ‘volg je ook het Sonja Bakkerdieet?). De salade met garnalen heette: ‘Gamboleraa… Gambaïoli’.

Misschien ben ik een chagrijn, maar ik heb er moeite mee om tegen de serveerster te zeggen: „Doet u mij maar de ‘Mèrege veul herrie van de kerrie’, of nee, de ‘Doe toch Normandisch man’.” Je wordt als klant gedwongen die namen komisch uit te spreken, het personeel moet er geforceerd om lachen, en uiteindelijk zit je met z’n allen in een vicieuze cirkel van pseudohumor.

Zat de brasseriehouder in een delirium toen hij de menukaart opstelde? Of is het een geraffineerd marketingplan? Kun je voor een geitenkaassalade die ‘Mèhèhè mèhèhè’ heet, meer geld vragen? Zijn klanten minder kritisch op de smaak als iets een gekke naam heeft?

Wat het ook is, de brasserie waarvan ik de naam niet zal noemen is absoluut niet de enige. In elke middelgrote provincieplaats is inmiddels wel een etablissement waar humor de kaart beheerst.

Het liefste ben ik in een restaurant waar niets grappig bedoeld is. Als er dan onbedoeld toch nog wat te lachen valt, is dat alleen maar mooi. Onlangs bevond ik mij in een klein dorp bij het Meer van Genève, waar een Thais restaurant was. Het restaurant heette ‘Chez Porn’. Nu schijnt ‘Porn’ een Thaise meisjesnaam te zijn, dus strikt genomen is er niets aan de hand, maar ik denk dan, hoe vaak zou Porn dat moeten uitleggen?

Ik moet er niet aan denken hoe de Nederlandse brasseriehouder los zou gaan op de menukaart van ‘Chez Porn’. Gelukkig heeft Porn helemaal geen humor en is het gewoon groene curry wat de klok slaat.

Paulien Cornelisse