Gezinsverzorgster terug in de wijk

De oude vertrouwde gezinsverzorgster komt terug. Ze moet een eind maken aan het gekunstelde onderscheid tussen alfahulpen, huishoudelijke hulpen en ziekenverzorgers.

Dat is de basisgedachte achter Buurtdiensten, een initiatief van het Amsterdamse Bureau Ruyterveer en Buurtzorg Nederland. Buurtzorg Nederland zette in twee jaar tijd een netwerk op van lokale, autonoom werkende teams wijkverpleegkundigen.

Bart Lammers, directeur van Bureau Ruyterveer, dat zich bezighoudt met wijken, zorg en welzijn, verwacht volgende maand de eerste praktijkproef met Buurtdiensten te nemen in Enschede. Lammers is in overleg met Almere, Amersfoort, Amsterdam, Helmond, Hengelo, Oss, Tilburg en Vlaardingen.

De komst van Buurtdiensten is een reactie op de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). Op grond hiervan betalen gemeenten sinds 2007 huishoudelijke hulp voor inwoners die daarvoor ‘geïndiceerd’ zijn. Die hulp werd eerder betaald uit de rijksregeling AWBZ. Uit vrees geld tekort te komen, kochten gemeenten zo goedkoop mogelijke zorg in, wat tot veel klachten leidde. Zieken die huishoudelijke hulp nodig hebben, kregen bijvoorbeeld een goedkope alfahulp voor het stofzuigen (betaald via de WMO), een iets duurdere hulp voor persoonlijke verzorging (via de AWBZ) en weer een ander voor eenvoudige medische handelingen (AWBZ).

Lammers wil daarvan af. „Buurtdiensten levert één gezinsverzorger, uit de buurt, die al die taken aan kan. Je moet mensen niet lastigvallen met de ingewikkelde manier waarop de zorg is geregeld.” Buurtdiensten gaat uit van een universeel uurtarief, en declareert de verleende zorg bij zorgkantoren (AWBZ) en gemeenten (WMO). De gezinsverzorger van Buurtdiensten wordt duurder dan een alfahulp, maar door de grotere effectiviteit zal de zorg per saldo goedkoper en beter zijn, verwacht Lammers.