De commissie-Davids

De Onderzoekscommissie Irak is er. Voorzitter Davids, voormalig president van de Hoge Raad, heeft de samenstelling ervan vanochtend bekendgemaakt. Wat opvalt, is het ontbreken van Ministers van Staat. Davids heeft de voorkeur van premier Balkenende dus niet gevolgd. Dat is een bewuste keuze geweest, liet hij weten, onder meer omdat hij het „minder gunstig” vond dat Ministers van Staat – ex-ministers als Lubbers (CDA), Kok (PvdA), Korthals Altes (VVD) en Van Mierlo (D66) – een politieke achtergrond hebben.

Het voordeel van deze benadering is dat Davids zo de onafhankelijkheid van zijn commissie tegenover de premier onderstreept. Zijn keuze is gevallen op een gezelschap wetenschappelijke zwaargewichten met brede ervaring op uiteenlopende terreinen: volkenrecht, bestuurskunde, diplomatie, VN-missies, historisch onderzoek, justitie, politiewerk. Zo lijkt de commissie verzekerd „van ruime bestuurlijke en politieke ervaring en van ruime ervaring met vraagstukken van internationale betrekkingen en internationaal recht”, zoals Balkenende dat eerder formuleerde.

Bedolven onder een lawine aan vragen van de Tweede en Eerste Kamer over de Nederlandse steun aan de oorlog in Irak is het kabinet, in het bijzonder premier Balkenende, eerder deze maand akkoord gegaan met een onafhankelijk onderzoek. Dat was hoog tijd. Te lang heeft de premier de indruk laten ontstaan dat hij inzake Irak iets te verbergen had.

De instelling van de commissie-Davids is het resultaat van een kabinetsbesluit waarmee de meerderheid van het parlement heeft ingestemd. Die heeft het ook goed gevonden dat de vele Kamervragen die er zijn gesteld of nog zullen komen, door de regering worden doorgeschoven naar de onderzoekscommissie. Dat is te betreuren, omdat dit het werk van parlementariërs als controleurs van de regering ondermijnt.

Maar het is ook een voldongen feit. Het beste is nu dan ook dat de commissie zo snel mogelijk aan het werk gaat om te voldoen aan haar opdracht: onderzoek naar de voorbereiding en besluitvorming tussen zomer 2002 en zomer 2003 over de politieke steun van Nederland aan de inval in Irak. Daarbij moeten aspecten van volkenrechtelijke aard, van de inlichtingen- en informatievoorziening en van vermeende militaire betrokkenheid in het bijzonder betrokken worden.

Evenzeer is van belang dat de premier zijn belofte waarmaakt dat de commissie ongehinderd toegang krijgt tot alle ministeries en betrokken rijksdiensten, alle personen kan spreken die zij wenst te verhoren en over alle documenten de beschikking krijgt die ze wil hebben. Aan dat laatste zou nog moeten worden toegevoegd: en andere nog geheime documenten die relevant zijn, omdat de commissie niet kan vragen naar stukken waarvan zij het bestaan niet kent.

De commissie moet optimaal haar werk kunnen doen. Alle feiten moeten op tafel komen. Het onderzoek is geslaagd als het daarover geen enkele twijfel laat bestaan en het zo tot parlementaire besluitvorming zonder enquête kan komen.