Ze vinden me hier betweterig en arrogant

Voor een Surinaamse krant werken is wel even anders dan voor een Nederlandse.

Deze week komt Forra de Jong terug van haar stage bij De Ware Tijd in Suriname.

Ongemakkelijk en oververhit sta ik op mijn eerste stagedag in het kantoor van mijn chef. Ik had net gehoord dat mijn stage bij De Ware Tijd op het nippertje toch door gaat. Twee weken daarvoor was Ricardo Carrot, de hoofdredacteur, opgestapt.

Ik merk dat mijn chef afkeurend naar mijn gympen kijkt. „Gepaste kledij is erg belangrijk”, benadrukt ze. Net als tact, veel geduld en genieten van mijn tijd in Suriname. Dat zou ik pas later allemaal ontdekken.

‘Gepast gekleed’ fiets ik voortaan elke dag in de hitte naar de redactie van De Ware Tijd. Het charmante, houten, wit geschilderde kantoor staat midden in het drukke centrum van Paramaribo.

Mijn collega’s zijn erg aardig en door de diversiteit aan opdrachten zie ik veel van Suriname. Ik wil echter niet alleen opdrachten uitvoeren, maar ook met eigen ideeën komen. Dat valt echter niet mee. Want hoe komt deze krant tot stand? Ik heb echt geen idee.

Algemene vergaderingen worden nooit gehouden. Iedere keer ben ik weer verrast door wat er op de pagina’s staat. Het duurt bovendien een tijdje voordat ik me realiseer dat ik het vooral moet zoeken in het regionale nieuws. Suriname telt namelijk slechts 500.000 inwoners en de meesten wonen in Paramaribo.

Regionaal nieuws is dus belangrijk nieuws. Dingen die ik als Nederlander opvallend vind, zijn hier zo normaal dat ze niet in de krant hoeven. Zoals het hoge aantal inbraken. En tot grote hilariteit van collega’s geloof ik de ambtenaar die vertelt dat er over drie maanden echt een wet komt voor een of andere kwestie.

Een voordeel ten opzichte van Nederland is de manier van communiceren. Worstel ik me in Nederland door voorlichtingsafdelingen om een directeur te spreken, in Suriname bel ik naar zijn mobiele nummer.

Die laagdrempeligheid heeft echter ook nadelen. Voor openingen van scholen, tankstations en tentoonstellingen krijg ik geen persberichten, maar ‘uitnodigingen’ waarbij mijn aanwezigheid wordt verwacht zonder dat ik me kritisch opstel. Op persconferenties ben ik vaak de enige die doorvraagt. Verbaasd kijkt de persoon achter de microfoon me aan en vraagt waarom ik dat allemaal moet weten.

Hoezeer ik me probeer aan te passen, ik merk toch dat ik niet altijd met de verschillen kan omgaan. Vooroordelen van beide kanten en miscommunicaties werken me tegen. Aan de telefoon verraadt mijn accent direct dat ik Nederlandse ben en Nederlandse journalisten hebben in Suriname geen goed imago.

Vooral over stagiaires denkt men hier dat ze betweterig en arrogant zijn en alleen maar komen voor de Surinaamse mannen. ‘Dat kunt u als Nederlander helemaal niet weten’, krijg ik vaak te horen als ik een kritische vraag stel. Waarschijnlijk is dat ook zo.

Weet je wat ik echt niet begrijp? Dat Surinaamse journalisten soms zelf ook heel erg van hun eigen producties balen en dat er dan niets verandert. Hoor- en wederhoor wordt vaak niet toegepast. Bronvermeldingen ontbreken regelmatig, de eindredactie functioneert niet naar behoren en de redactie heeft geen stijlboek. Elke keer realiseren ze zich dat die fouten echt niet meer mogen worden gemaakt. Elke keer worden ze weer gemaakt.

Misschien heeft het iets te maken met de status van de krant. Hoewel niet iedereen 1 Surinaamse dollar (ongeveer 28 eurocent) kan betalen voor de krant, hoort De Ware Tijd wel gewoon bij de dagelijkse informatiestroom. Van echte concurrentie van nieuwssites op internet en gratis kranten is in Suriname (nog) geen sprake. Alle kranten worden op straat en in supermarkten verkocht.

Toch is de tijd dat slechts twee kranten de nieuwsvoorziening bepalen, De Ware Tijd en De West, inmiddels wel voorbij. Ongeveer vijf à zes jaar geleden werden Times of Suriname en Dagblad Suriname opgericht. Deze kranten groeiden snel. Opvallend genoeg pakken ze nog geen advertenties van elkaar af. Bij alle kranten stijgt de oplage.

De krant die het nieuws het sensationeelst weergeeft, is het populairst. Daarom gebruiken redacteuren sinds een jaar of zeven veel meer bijvoeglijke naamwoorden en noemen ze zonder enige terughoudendheid de namen van familieleden van slachtoffers en de woonplaatsen van misdadigers.

Na een groot verkeersongeluk was ik geschokt door de grote foto van het lijk in de krant. Dat blijkt hier inmiddels gangbaar. Hoe meer bloed, hoe beter. Privacy van het slachtoffer telt hier niet. Het is nu eenmaal nieuws, zeggen mijn collega’s. Bovendien, zeggen ze, is zo’n foto een goede waarschuwing tegen te hard rijden.

Televisiezenders idem dito. Alle details van verkeersongevallen en bovengedreven lichamen worden vol in beeld uitgezonden. Zo kreeg de Surinaamse bevolking in een nieuwsuitzending de laatste stuiptrekkingen van een verongelukt echtpaar te zien en een uit de oogkas gerold oog van een bromfietser die onder een auto was gekomen.

Bij beelden van het afvoeren van een door een aanrijding overleden berover, klonk het deuntje: ‘Bad boys bad boys, what ya gonna do? What ya gonna do when they come for you?’

Zo’n manier van omgaan met andermans leed zet je wel aan het denken. Ben ik zo’n Hollandse hork die altijd ‘vervelend’ moet doen als iemand een leuk plan heeft? Wil de Surinaamse lezer mijn kritische stukken wel lezen?

Bovendien heb ik als Nederlandse journalist wel makkelijk praten. Persbureaus bestaan niet in Suriname en cijfers zijn nauwelijks te verkrijgen, als ze al bestaan. Internet is niet ingeburgerd dus researchen is een stuk lastiger. En als je geen goed netwerk hebt en geen familie bent van belangrijke personen, krijg je informatie slechts mondjesmaat binnen.

Politiek gevoelige onderwerpen zijn bijna niet te behandelen. Op straat wil niemand antwoorden en deskundigen blijven liever ‘neutraal’.

Medewerkers van onder andere De Ware Tijd, zijn bedreigd en mishandeld, omdat ze zich ‘ergens mee bemoeiden’. Zowel de politiek als de onderwereld zit daar niet op te wachten.

Het is spijtig, maar begrijpelijk dat journalisten zich daarom soms niet in duistere zaken willen verdiepen.

Straks in Nederland zal ik dankbaar zijn voor de beschikbaarheid van internet en voor de goed geïnformeerde voorlichters. Toch zal ik ook terugverlangen naar mijn tijd in Suriname waarin ik zoveel leerde over de journalistiek.

Forra de Jong is student journalistiek. Eerder liep zij stage bij nrc.next.