Vast in een spiraal van onbestraft geweld

Venezolanen klagen over de explosie van misdaad en geweld in hun land. Met zijn agressieve taal lijkt president Chávez het geweld aan te moedigen.

Nooit had Meira Ríos gedacht de dood in de ogen te kijken in een stadsbus. Zo maar, op een doordeweekse avond. Ze was op weg naar huis, naar haar twee dochters, in de sloppenwijk Las Casitas. En plotseling werd haar bus onder vuur genomen, van beide kanten. Letterlijk vlogen de kogels haar om de oren.

Ríos (38) is een nuchtere vrouw met grote ogen en krullend haar. „De bus stond in een vuurlinie. Twee groepen waren elkaar aan het beschieten, met automatische wapens. Ik dacht heel even dat mijn laatste uur had geslagen”, zegt ze. Haar eerste reactie redde haar leven. Zij liet zich op de grond vallen en de chauffeur trapte het gaspedaal in. De bus stoof weg. Door een wonder was geen van de inzittenden geraakt.

Het geweld in Caracas is de afgelopen jaren alleen maar toegenomen, constateert Ríos, die van beroep sociaal werkster is. „Het is een levensgevaarlijke stad geworden. Ook in andere delen van het land komen mensen om door schietpartijen. De situatie is verslechterd.”

Caracas behoort sinds enkele jaren, samen met de hoofdstad van El Salvador tot de gevaarlijkste steden van Latijns-Amerika. In de stad worden op de 100.000 inwoners jaarlijks 130 mensen vermoord – Caracas heeft zo’n 4 miljoen inwoners. Ter vergelijking: in Bogotá, de hoofdstad van Colombia, in het verleden koploper in de regio op dit gebied, ligt dat getal tegenwoordig beduidend lager: 18 moorden op 100.000 mensen (zie ook: ‘Moordsteden’).

Ríos had dus geluk, blijkt uit de statistieken, en ook uit de wekelijkse berichtgeving over geweld. Vooral op maandag is het raak. Na het weekeinde staan de kranten vol met verhalen over schietpartijen en dodelijke slachtoffers. Van foto’s van het bekende lijkenhuis Bello Monte in Caracas, met koppen als ‘275 lijken afgeleverd in 18 dagen’, kijkt niemand meer op.

„De meest voorkomende doodsoorzaak in Venezuela, na hartaanvallen en kanker, is geweld”, zegt Roberto Briceño-León, een gezaghebbende socioloog van de Centrale Universiteit in Caracas. Hij is gespecialiseerd in geweld en gezondheidszorg en directeur van onderzoeksinstituut, LASCO.

In zijn kantoor illustreert Briceño zijn opmerking met cijfers. In 2008 zijn er in Venezuela bijvoorbeeld 14.000 mensen vermoord. En dat is exclusief de 1.500 doden door kogels van de politie en 4.000 zogeheten onopgeloste zaken. „Sinds 1999 is er sprake van een oplopende curve. In dat jaar lag het aantal moorden rond 5.600, een jaar later op 7.000, en dat is sindsdien verdubbeld.”

Het zijn vooral jongens en jonge mannen, tussen de 15 en 25 jaar, die als dodelijke slachtoffers de statistieken domineren. Vaak maken ze deel uit van criminele bendes die elkaar bevechten. Een andere karakteristiek: de overgrote meerderheid van de getroffenen is arm en woont in sloppenwijken.

Het geweld in Venezuela is volgens Briceño fors gestegen sinds president Hugo Chávez aan de macht kwam, in 1999. „Tijdens het bewind van Chávez’ voorganger, Rafael Caldera, tussen 1994 en 1998, lag het gemiddelde aantal doden jaarlijks rond de 4.500.”

Hoewel president Chávez regelmatig urenlang op de staatstelevisie de stand van zaken rond zijn socialistische revolutie bespreekt, vermijdt hij altijd een van de meeste prangende onderwerpen die de doorsnee Venezolaan tegenwoordig bezighoudt: het bijna onontkoombare geweld in het dagelijkse leven. En als het ergens ter sprake komt, leggen regeringsfunctionarissen graag de link met armoede en de strijd tegen kapitalisme.

„En dat is opmerkelijk”, zegt socioloog Briceño, „omdat Chávez juist claimt grote stappen vooruit te hebben gemaakt op het gebied van armoedebestrijding.” Vorig jaar nog verhoogde de regering het minimumloon met 30 procent, tot bijna 800 bolívar, omgerekend ongeveer 293 euro. Daarmee behoort het tot de hoogste van Latijns-Amerika. Tegelijkertijd heeft de introductie van gesubsidieerde staatswinkels, voedselbonnen en gratis gezondheidsklinieken volgens de overheid de koopkracht van de armen verbeterd.

De explosie van geweld in Caracas en de rest van Venezuela zou te maken hebben met de crisis waarin de landelijke instituties, in het bijzonder de politie en justitie, zich bevinden. De politie in Caracas heeft volgens Briceño-León vijf jaar geleden haar zware wapens moeten inleveren. „De overheid wilde zo het imago van de politie verbeteren. Daardoor is zij nu slechter bewapend dan de meeste criminelen. Agenten kijken wel uit als er vuurgevechten zijn of ergens ingegrepen moet worden. De politie is passiever geworden en justitie vervolgt, mede daardoor, minder zaken.”

Een ander gevolg is dat burgers nu wapens kopen om zichzelf te verdedigen. Ruim 60 procent van de slachtoffers van geweld doet bovendien geen aangifte bij de politie, „omdat die toch niets doet en er bovendien angst bestaat voor represailles”.

Wat de socioloog ook constateert, is dat de president zelf zich regelmatig in agressieve bewoordingen uitlaat en geweld lijkt aan te moedigen. Gewapende chavistas, aanhangers van de president, worden getolereerd in naam van de revolutie. Op de staatstelevisie kondigde de president vorig jaar nog een minuut stilte af omdat een leider van de linkse Colombiaanse guerrillabeweging FARC was omgekomen. „Dat zijn guerrillero’s die onschuldige mensen vermoorden en kidnappen. Wat voor signaal geef je dan”, zegt Briceño.

De straffeloosheid heeft eveneens geleid tot de groei van sociaal-politiek geweld. Gewapende chavistas bezetten al lange tijd de burelen van de nieuwe burgermeester van Caracas, Antonio Ledezma, die van de oppositie is. Hij zou hun contracten niet willen verlengen. De regering weigert in te grijpen.

Schokkend was vorige maand de inval van een groep radicalen onder leiding van Lina Ron, een fervente Chávez-supporter, in het culturele centrum Ateneo. De linkse partij Bandera Roja, die de partij van Chávez niet steunt, hield daar een bijeenkomst toen Ron en haar bende binnenvielen.

Het was een verbijsterende actie, vertelt Carmen Ramia, directrice van Ateneo. „Zij hielden drieënhalf uur huis, schoten met wapens, en beroofden de aanwezigen. Wij zijn een gerenommeerde culturele instelling, die openstaat voor alle stromingen. Maar sindsdien voelen we ons bedreigd. De politie deed niets en de regering heeft de aanval niet veroordeeld. Zolang dit soort gedrag onbestraft blijft, stimuleer je als overheid het gebruik van geweld en daar zie je nu de resultaten van in ons land.”