Tippelzone dicht? Dan gaan de dames weer illegaal

Eindhoven sluit in 2011 de tippelzone. „De dames moeten uit hun uitzichtloze positie”, zegt de wethouder. „Dan ga ik weer illegaal tippelen”, reageert een prostituee.

Het is half één in de nacht. De weg tussen spoor en industrieterrein ligt er verlaten bij. Een rode Renault stopt. Een magere vrouw met zwarte jas en minirok stapt uit het donker tevoorschijn. Ze loopt heupwiegend naar de auto, zegt wat door het openstaande raam en stapt in. De bestuurder trekt op en parkeert tien meter verder achter een geperforeerd aluminium schot. Even later stapt een vrouw in een grijze stationwagen. Die rijdt naar afwerkplek nummer twee omdat rode achterlampen verraden dat de eerste bezet is.

Zes jaar geleden opende Eindhoven een tippelzone. Dertig verslaafde prostituees kregen een pasje dat hun het recht gaf er te werken. Doel was een einde te maken aan de overlast die straatprostitutie veroorzaakte in de arbeiderswijk – nu prachtwijk geheten – Woensel West. Daar lagen condooms in voortuinen, reden auto’s ’s avonds rondjes en werd aan meisjes uit de buurt gevraagd hoeveel ze kostten. Doel was ook betere zorg te bieden aan verslaafde straatprostituees.

Er kwam een huiskamer waar prostituees zich konden douchen, hun kleren konden wassen en zich konden opmaken. Er werden condooms, schone naalden en koffie beschikbaar gesteld. Mensen van het Leger des Heils spraken met de vrouwen, een arts hield controles en de politie lette op. De overlast verminderde en de gezondheidstoestand van de vrouwen verbeterde, weet Veronique Robeerts uit eigen ervaring.

Sinds haar veertiende is ze verslaafd. Tien jaar werkte ze als straatprostituee. Nu is ze 28 en zijn de sporen van het ruige leven dat ze leidde duidelijk zichtbaar. Ze heeft een glazen oog en een litteken op haar buik van een navelbreukoperatie. Haar naar binnen vallende onderlip verraadt de afwezigheid van ondertanden. Haar knokige lichaam verdwijnt haast in haar lichtgrijze slobberende joggingpak. Ze gaat zitten achter een kopje koffie en vertelt.

Voor 2003 tippelde ze in Woensel West, waar ze regelmatig moest wegduiken voor de politie. „Dat was goed verdienen, want dat ging 24 uur per dag door.” Vanaf de opening van de Eindhovense tippelzone was ze daar zeven dagen in de week van acht uur ’s avonds tot twee uur ’s ochtends te vinden. Op drukke avonden – „rond de eerste en de vijftiende maand en als er gevoetbald werd” – werkte ze tien mannen af, op rustige avonden stond ze er soms voor niks. Ze tippelde, ging naar de dealer en gebruikte. Ze sliep in kraakpanden of in een tent. Zeven maanden geleden is ze gestopt zich als hoer te verkopen. Ze verblijft in een opvanghuis van het Leger des Heils.

Hoewel de tippelzone volgens een evaluatie aan vrijwel alle gestelde doelen beantwoordt, wil de gemeente haar in 2011 sluiten. In drie jaar tijd moeten alle verslaafde prostituees met steun van hulpverleners onafhankelijk worden van drugsdealers en pooiers. Wethouder Mariët Mittendorff: „We willen niet faciliteren dat deze vrouwen in hun uitzichtsloze positie blijven hangen. We willen de dames liever een menswaardig bestaan bieden.”

Meningen over tippelzones lopen landelijk uiteen. Amsterdam sloot de zone al in 2003. Rotterdam en Den Haag volgden in 2006. Het argument voor de sluiting was dat de zones vrouwenhandel en drugsdealers aantrokken. In Utrecht, Arnhem, Nijmegen, Heerlen en Groningen zijn de tippelzones nog open.

Robeerts schudt fel haar hoofd. Haar vlassige piekhaar zwaait op en neer. „Sluiten van de tippelzone heeft geen zin. Vrouwen gaan dan gewoon weer illegaal tippelen.”

Ze gelooft niet dat haar oud-collega’s op hulpverlening zitten te wachten. „Misschien zijn er een paar gemotiveerd om uit het leven te stappen, maar de meesten niet.” Metje Blaak van belangenvereniging voor prostituees De Rode Draad beaamt: „Alleen een vrouw die dat wil, kun je helpen.” Dat is ook de ervaring van Wies Weekers van het Leger des Heils. „En zelfs dan. Er hoeft maar iets tegen te zitten en ze vervalt weer in haar oude leven.”

„Ga mij niet vertellen dat er nu geen straatprostituees meer zijn in Amsterdam”, zegt Kersten van Dalen. Ze was jarenlang huiskamercoördinator op tippelzones in Amsterdam, Den Haag en Utrecht. „Straatprostituees moeten nu weer gehaast in auto’s wegspringen voor politie. Niemand ziet wat er met ze gebeurt. Niemand geeft ze condooms of test ze op geslachtsziektes.” Ook de vrouwenhandel stopt niet door tippelzones te sluiten. Van Dalen: „De slachtoffers verdwijnen alleen uit het zicht. Niemand mist meer een meisje als ze verdwijnt. Dat maakt ingrijpen lastiger.”

De manier waarop gemeentebesturen over tippelzones denken verandert, constateert Sander Flight die met de DSP-groep de tippelzones van Amsterdam en Eindhoven evalueerde. „Toen gemeenten tippelzones in de jaren tachtig en negentig openden, overheerste het idee dat straatprostituees een veilige werkplek moesten hebben. De laatste jaren domineert bij gemeentebesturen de morele overtuiging dat tippelzones haarden van criminaliteit zijn. Plekken waar vrouwen in mensonterende omstandigheden werken die zij niet in stand moeten houden. Zij besluiten hun geld anders te besteden.”

Van Dalen betreurt deze verschuiving. Ze vraagt zich af of gemeenten de zones echt sluiten uit zorg voor de vrouwen die er werken of toch vooral uit zorg om de eigen portemonnee. „Tippelzones zouden onderdeel van landelijk beleid moeten zijn. Ze kunnen goed werken en ons controle en zicht bieden op een kwetsbare groep vrouwen.”