Terroristen zijn goed voor de economie

Arnon Grunberg probeert weg te komen uit Camp Striker. Deel 4 van een serie.

Er zijn plekken waar ik niet wil blijven, zelfs niet voor de literatuur. Camp Striker, even buiten het vliegveld van Bagdad bijvoorbeeld. Verleden jaar heb ik hier een dag doorgebracht in afwachting van de Rhino Bus, een soort van pausmobiel, die mij naar de Groene Zone bracht, tegenwoordig Internationale Zone genoemd, ook wel IZ.

De jonge luitenant die mij hier afleverde, werpt een blik in de tent waar ik gelegerd ben en zegt: „Ik zou je satelliettelefoon en laptop maar altijd bij je houden.”

Een half uur later stuurt hij me een mail waarin staat: „Hier komt een uitdaging voor je: je mag geen tassen meenemen naar de eetzaal.”

Dan heb ik al mijn assistente in Amsterdam gevraagd of beveiligingsbedrijf Edinburgh mij hier wil komen ophalen.

Een goede indicatie van vooruitgang is het aantal beveiligers dat nodig is per persoon.

In vergelijking met mei 2008 zie ik vooralsnog weinig vooruitgang. De terroristen hebben honderd keer meer gedaan voor de internationale economie dan pakweg Wouter Bos.

Wat moet er van al die beveiligers worden zonder dreiging? En niet alleen in Irak, beveiligen is een miljardenindustrie. Ook ik betaal voor een veilig ritje van Bagdad Airport naar de IZ een kleine duizend dollar.

Iets na zonsondergang arriveer ik in de IZ. In het Chinese restaurant genaamd Freedom Chinese Food werkten verleden jaar Chinese serveersters die waarschijnlijk hoer waren of travestiet of een combinatie van die twee. Rond het lunchuur zat het er vol met Amerikaanse militairen en private contractors.

Het is lunchuur, en Freedom Chinese Food is leeg. De Chinese hoeren zijn verdwenen.

Er werkt een jonge maar kale Irakees. Aan de kassa staat een andere Irakees. Ik durf niet te vragen: „Waar zijn de hoeren?” Dumplings worden ook niet meer geserveerd.

Bij het afrekenen ziet de Irakees achter de kassa mijn telefoon, een zogenoemde google phone.

„Hoeveel?”, vraagt hij.

Ik begrijp hem niet.

„Hoeveel heb je ervoor betaald?”

Ik noem het bedrag. Hij legt het bedrag op de toonbank en zegt: „Neem de volgende keer zo’n telefoon voor me mee.”

Ik weiger het geld aan te nemen. Maar ik antwoord: „Als je me e-mail stuurt, zal ik kijken wat ik voor je kan doen.”

Importeur van de google phone in Irak. Het is misschien geen literatuur, maar het is wel toekomst.