In zijn eentje een heel orkest

Andrew Bird speelt viool, gitaar, percussie en xylofoon en ‘stapelt’ live zijn partijen.

Hij klinkt zo intens alsof Nick Drake en Jeff Buckley een verbond hebben gesloten.

The Beach Boys hadden een voltallig orkest nodig voor popsymfonieën als Good vibrations. Zo niet Andrew Bird, een singer-songwriter uit Chicago die het allemaal zelf doet. Hij speelt viool, gitaar, percussie en xylofoon. Hij zingt, klapt in zijn handen, stampt op de grond en fluit erbij. Het liefst doet hij dat allemaal tegelijk. Met behulp van een sampler „stapelt” hij zijn partijen, zodat hij op het podium in zijn eentje een heel orkest laat klinken. Allemaal live, door één man gespeeld.

Een gimmick? Nee, want Bird schept door zijn eenzame verschijning een intimiteit die zijn muziek heel bijzonder maakt. Alsof Nick Drake en Jeff Buckley een verbond hebben gesloten in de muzikantenhemel, zo intens klinkt hij op zijn nieuwe album Noble Beast. Zijn vijfde alweer, nadat Bird in 1996 debuteerde met het zelf uitgebrachte Hair Music. Langzaam drong hij door tot een fanatiek en alsmaar groter publiek.

Hij groeide op in een klassieke omgeving, met ouders die hem van jongsaf stimuleerden viool te spelen. Op het conservatorium werd hij beschouwd als een wonderkind, maar zelf koesterde hij een voorliefde voor muziek die door zijn docenten banaal werd gevonden. Hij luisterde naar country, folk en jazz en spoedig begon hij zelf liedjes te schrijven. „Vioolspelen is zo’n beetje het moeilijkste wat er is”, weet hij, „terwijl kunstfluiten bijna vanzelf gaat. Het contrast tussen hogere cultuur en simpele deuntjes interesseert mij. Otis Redding die het plotseling op een fluiten zet in Sitting on the dock of the bay, dat trok mijn aandacht. Zoiets wilde ik ook.”

Bird zíét zijn muziek voor zich als hij de afzonderlijke partijen al improviserend tot een orkestpartij stapelt. „Het wordt een soort wolk die tussen mij en het publiek zweeft. Ik schrijf nooit iets op en wat ik live doe, is onmogelijk in de studio te reconstrueren. Mijn oren vertellen me dat er hier nog een beetje bas bij moet, en daar nog een paar hoge noten.”

Zigeunermuziek, Ierse folk en oude countrysongs brachten hem van het klassieke pad. „Als je jong bent, denk je niet in stijlen. Gewone popmuziek heeft me nooit geïnteresseerd; ik luisterde liever naar Indiase muziek of experimentele jazz. Dat was een fase waar ik doorheen moest, want er kwam een moment waarop ik besloot dat mijn muziek niet extreem complex of ontoegankelijk mocht worden. Als ik nieuwe nummers bedenk, woeker ik tussen de neiging om het toegankelijk te maken, en interessant voor mezelf.”

Hij laat zich graag inspireren door de natuur die hem omringt op zijn oude boerderij, een eindje buiten Chicago. „Maar het mag nooit zomaar over het weer gaan, of over de vogeltjes in de lente. Ik laat teksten komen zoals ze me te binnen schieten, soms alleen omdat de lettergrepen van een woord lekker klinken bij de melodie in mijn hoofd. Nomenclature bijvoorbeeld, wat is dat voor een vreemd woord? Maar het klopte toen ik het zong, dus moest het blijven staan en heb ik er zelfs de songtitel van gemaakt. Dat is geen intellectuele exercitie; ik denk dat je mensen kunt ontroeren met zulke spontane vondsten.”

De dierenwereld geeft hem veel inspiratie. „Kuddegedrag, hoe weet die ene vogel welke plek hij in moet nemen om met zijn allen de perfect V te vormen? Ik heb mijn album Noble Beast genoemd omdat ik gefascineerd ben door de manier waarop mensen tegen dieren aankijken. Waarom is een sneeuwluipaard uit zo’n prachtige natuurdocumentaire van David Attenborough een interessanter beest dan de kip die in onze soep eindigt? De kip heeft nog nooit iemand kwaad gedaan, terwijl we het gevaarlijke roofdier veel mooier vinden. Om dat contrast te onderstrepen maakte ik een verzameling instrumentale stukken die ik Useless Creatures heb genoemd en die bij de eerste editie van het album wordt mee verpakt. Het is aan de luisteraars om uit te maken wat ze mooier vinden: muziek die helemaal af is of juist de rauwe, ongepolijste probeersels.”

Andrew Bird kan er nog steeds vreemd van opkijken, wanneer zijn muziek als „indierock” wordt getypeerd. „In Chicago zat ik dicht bij de bron van hippe artiesten als Liz Phair en Tortoise, maar die zijn me nooit opgevallen. De blues evenmin: dat is alleen nog een historische magneet om toeristen te trekken. Ik voel me een artiest die tot geen enkel tijdperk behoort. Als er een uitbarsting van nieuwe muziek is, ga ik in het verleden graven. En als rootsmuziek plotseling populair wordt, realiseer ik me wat een fantastische muziek The Smiths eigenlijk maakten. Terwijl ik die groep in de jaren tachtig altijd links heb laten liggen.”

„Ik denk dat ik een natuurlijk afweermechanisme heb voor alles wat hip is. Laat mij maar lekker die eenzame idioot zijn, met vreemde muziek die je nog nooit ergens anders hebt gehoord.”

Noble Beast van Andrew Bird is nu uit op V2. Donderdag 7 mei speelt hij in Paradiso, Amsterdam. Voor meer informatie ga naar www.paradiso.nl