Fantoompoezen

Volgens communistenvreter Flip haalde schrijfster Rascha Peper ‘schorriemorrie’ in huis toen zij onderdak bood aan de twee zeer aanwezige slanke zusjes met de Russische achternaam Oeljanov.

Een jaar geleden schreef ik voor deze pagina een stukje over de twee jonge poezen die ik toen pas in huis had: twee zusjes van het ras Russisch Blauw, door de fokker (wegens oude, communistische sentimenten?) bedacht met de achternaam Oeljanov, de familienaam van Lenin. Ze waren zeer aanwezig. De Blauwe Rus is een slank, sierlijk type korthaarkat, intelligent en speels, en door de fragiele elegantie van de jeugdige zusters en vooral hun speelse inventiviteit, die hen bovenop de gordijnrails bracht en buitgemaakte wattenstaafjes een voor een door de afvoeren liet tikken, viel iedereen voor hun aanbiddelijkheid – tot de loodgieter toe. Iedereen, behalve onze bejaarde rode kater Flip. Die vond ze zum Kotzen en snapte niet waarom dat schorriemorrie hier binnengehaald was. Hij haatte ze met de hartgrondigheid van een echte, ouderwetse communistenvreter.

In het afgelopen jaar heeft af en toe iemand naar aanleiding van dat stukje aan me gevraagd hoe het met mijn poezen ging. Dan zei ik, om niet in details te hoeven treden, maar: goed. En in de pauze van een literaire avond heeft een echtpaar me eens uitvoerig staan vertellen over de hebbelijkheden van hún beminde Blauwe Rus. Dat zijn een beetje pijnlijke momenten.

Want de zusjes Oeljanov zijn allebei dood. Ze zijn nog geen acht maanden oud geworden en op een ellendige manier aan hun eind gekomen. Flips wraak is zoet geweest. De een raakte overdekt met zweren en lag als eerste op de behandeltafel van de dierenarts, die uiteindelijk niets meer kon doen dan het verlossende spuitje geven. De ander zocht het zusje, tot ze zelf ziek werd. Andere verschijnselen, zelfde diagnose: Fel.V, leucose, een virus-overdraagbare vorm van kattenleukemie. Ze waren tegen van alles en nog wat ingeënt, maar daartegen niet. Flip bleek de overbrenger. Zelf geen centje pijn, maar wel drager.

De dierenarts heeft alles in de strijd geworpen om de tweede nog te behouden, ik ben kortstondig specialiste geweest in het toedienen van vloeibare voeding en pillen en het beestje zelf in slikken, meewerken en zoet tegen een kruikje liggen. We zouden een fortuin over gehad hebben voor een loodgieter die nog een keer wattenstaafjes uit de afvoer kwam halen, maar het was niet meer nodig.

Er kan een hoop veranderen binnen een jaar. Met Flip is het uitstekend en dat terwijl er alweer een nieuwe indringer is! Een volwassen kater nog wel (tegen de gevreesde ziekte ingeënt, want dat blijkt nota bene ook te kunnen) en een kop groter dan hij, maar een goedmoedige lobbes die de ouwe, rooie chagrijn laat winnen bij elke schermutseling. Van de Oeljanovjes resten nog een paar foto’s, flinke scheuren in de gordijnen, een klunzig gelijmde kandelaar, de verscheurde eerste druk van Knorrende Beesten van Bordewijk, en een rood en een blauw halsbandje.

Waar het nu echter om gaat, is dat ik ze nog steeds zie. Dat klinkt wat occult en misschien is het dat ook wel, dat kan ik niet helpen. Ik heb in mijn leven al van heel wat katten afscheid genomen, volwassen katten, en ik herinner me ze allemaal nog, met hun leuke en vervelende eigenschappen, maar ik heb ze nooit meer gezien als ze eenmaal dood waren, hoogstens gedacht: daar lag Louka altijd of: die van de buren lijkt op mijn oude Lapje. Nu is dat anders. Niet alleen denk ik bij het zien van een grijs nepbontje op de hoedenplank van de kapstok dat er eentje bovenop de kapstok ligt, maar ik zie ze spiegelbeeldig voor het raam zitten als ik de kamer binnenkom en tussen de planten op het terras sluipen. Soms, als ik een van de andere katten binnenlaat, vang ik buiten een glimp van ze op – dan zijn ze aan het spelen en hebben nog geen zin om binnen te komen. Dan duurt het een fractie van een seconde voor tot me doordringt dat ze nooit meer zullen binnenkomen.

Het zijn fantoomkatjes geworden, kleine, altijd onvolgroeid blijvende, brutale schichtjes. Zoals je hersens er niet aan willen dat een geamputeerde arm of voet er niet meer is en gewoon pijn of jeuk in dat lichaamsdeel blijven doorseinen, zo willen ze er misschien ook niet aan dat iets jongs, iets wat nog moet opgroeien, er opeens niet meer is. Dat hoort niet, dat is onnatuurlijk. Er blijft iets onafgemaakt. De blauwe zusjes zitten kennelijk nog in mijn systeem, ze staan nog op mijn netvlies, ze moeten er nog uit slijten. Tegen de lente zal het wel over zijn.

Onlangs was er een film op de televisie waarin een inbreker door een donker huis loopt en er opeens geblèr opklinkt alsof hij op een baby stuit. Hij richt zijn zaklantaarn op zijn voeten en daar draaien twee jonge katjes rond. De oude Flip, op de verwarming uitgestrekt, hief met een ruk zijn kop op bij dat geluid. Je zag door hem heen flitsen: het zal godsodeju toch niet waar zijn?!

Blijkbaar ben ik niet de enige in huis bij wie nog iets moet slijten.

Rascha Peper