Een softwarewinkel voor ieder mobieltje

Telefoonfabrikanten bouwen en masse softwarewinkels voor gsm’s. Ze hopen op hetzelfde enthousiasme dat de App Store van de iPhone ten deel viel.

Je moet twee keer kijken om de nieuwe telefoons van HTC, LG en Samsung van elkaar of van een iPhone te onderscheiden. Dat geldt voor de buitenkant (groot aanraakscherm, weinig knoppen) én voor de binnenkant. Op het Mobile World Congress, dat vorige week in Barcelona werd gehouden, presenteerden alle grote telefoonfabrikanten mobiele softwarewinkels.

De inspiratiebron is de App Store van de iPhone. Apple begon in juli 2008 met een centrale plek voor mobiele software: spelletjes, nieuwsdiensten en mobiele toepassingen die met één klik geïnstalleerd zijn. Bijvoorbeeld een programmaatje dat de telefoon in een waterpas verandert, of een applicatie die de weg wijst naar de dichtstbijzijnde pinautomaat. Of, minder handig maar wel leuk: iBeer, waarmee de iPhone in een glas bier verandert.

In de App Store staan nu 20.000 applicaties, en in januari stond de teller op 500 miljoen downloads. Dat aantal heeft behalve Apple ook de concurrenten verbaasd. Ontwikkelaars staan in de rij om hun programma’s aan te mogen bieden, want dankzij de simpele installatie en betaalwijze betaleniPhone-gebruikers moeiteloos een paar euro per programma. Apple houdt daarvan 30 procent in eigen zak. Betalen gaat via de iTunes Store, Apple bepaalt zelf welke software er te koop is.

Deze formule wordt opgevolgd door Google (Android Market), Nokia (Ovi Store), RIM (BlackBerry App Store) en Windows Mobile (Windows Mobile Marketplace). Ook op de nieuwe Palm smartphone, de Palm Pre, zit een winkeltje.

Nokia heeft grote verwachtingen van zijn eigen Ovi Store. „We veranderen van hardwaremaker naar softwarebedrijf. Als we alleen maar telefoons blijven maken, lopen we het risico overbodig te worden”, zegt Niklas Savander. Hij is directeur van Nokia’s dienstentak, waar 3.000 mensen werken. Het marktaandeel van Nokia (nu minder van 40 procent) staat onder druk, zeker als het gaat om de chique smartphones. Daar is de concurrentie groot. De Finnen zijn laat met het presenteren van een ‘iPhone-killer’: het duurt nog tot juni voordat N97 in de winkels ligt, twee jaar na het verschijnen van het toestel van Apple. Volgens Savander is er geen reden tot paniek: „Er zijn nu 13 miljoen iPhones op de markt. Maar Nokia levert elk jaar 460 miljoen telefoons.” Die slagkracht zou ook de Ovi Store goede kansen moeten bieden.

Het duurt nog tot mei voordat de Nokia-winkel de deuren opent. Het kost tijd om veranderingen in zo’n grote, wereldwijde organisatie als die van Nokia te bewerkstelligen, zegt Niklas Savander. „We hebben lang geëxperimenteerd met verschillende diensten voordat we ze terugbrachten naar vijf takken die commercieel succes kunnen hebben: locatie en kaarten, muziek, berichten, spelletjes en media.”

Ook Google’s besturingssysteem Androïd, te vinden op telefoons van HTC en straks bij Samsung en LG, heeft een softwarewinkel. Maar Google wedt op twee paarden: software als Google Maps, Google Search en Gmail is nu al beschikbaar voor bijna elk mobieltje, onafhankelijk van het besturingssysteem. Volgens Vic Gundotra, directeur van Google’s ontwikkelafdeling, heeft de Amerikaanse internetgigant nu al net zo’n groot marktaandeel op de mobiele telefoon als op de gewone computer. „En omdat we geld verdienen met zoekresultaten op telefoons, investeren we dit jaar extra in onze mobiele tak.” Een opvallende functie die Google onlangs toevoegde was Latitude, dat de locatie van de beller weergeeft aan een groep geselecteerde personen. Wie Google Maps opstart, kan op zijn telefoon zien waar vrienden en bekenden zich bevinden. Er is echter kritiek op mogelijke privacyproblemen.

Gundotra: „Google bewaart nu nog geen locatiegegevens en verstrekt ze niet aan derden. Als we dat ooit gaan veranderen zullen we heel voorzichtig moeten zijn. Vertrouwen is erg belangrijk. Zodra gebruikers twijfelen aan de bedoelingen van Google, dan is het heel makkelijk om op een andere zoekmachine over te stappen.”

Telecombedrijven juichen de komst van meer mobiele software toe. Het stimuleert het dataverbruik van bellers en dat levert geld op. Maar er verandert wel iets aan de rol van de mobiele operators: zij bepalen niet langer zelf wat voor diensten er worden aangeboden. Als iedereen mobiel naar streaming tv zit te kijken, kunnen de kosten aan dataverkeer snel uit de klauwen lopen of voor netwerkproblemen zorgen.

Software zou een opvolger kunnen zijn voor de ooit lucratieve handel in belmelodietjes. Maar, zo bleek uit de discussies in Barcelona, de netwerken willen wel dat er meer eenheid komt in al die softwarewinkeltjes. Het zou handig zijn als alle programma’s werken op elke telefoon – of die nou op Windows Mobile, Google Androïd of Symbian draait. Voor softwareontwikkelaars wordt de smartphone een serieuze afzetmarkt. Tot voor kort was mobiele software moeilijk te vinden en nog moeilijker te installeren. Nog een voordeel: op een mobieltje met eigen winkel maakt illegale software minder kans.

Nu bijna alle luxe telefoons een groot scherm met aanraakbesturing hebben, is discussiëren over megapixels en megaherz niet meer zo interessant. Het gaat om de toegang tot het home screen, het beginscherm van het mobieltje. Apple en Google – beide nieuwelingen in de telecomsector – zijn de eerste die dat begrijpen.

De iPhone mag dan het gesprek van de dag zijn onder de bezoekers van Mobile World Congress, het Amerikaanse bedrijf was zelf nergens op het congres te vinden. Met beurzen bereik je geen klanten, vindt Apple. Daar zijn winkels voor.