Een lastig woord

Op Nederland 3 zag ik bij de VPRO een van de fascinerende documentaires van Louis Theroux. Het ging over neonazi’s in Californië en hun leider Tom Metzger, in deze film uit 2003 een kale man in een korte broek, die zichzelf openlijk en met trots een racist noemt.

De film wordt even spannend als beklemmend wanneer Theroux op bezoek gaat bij een familie van skinheads, ergens op het platteland. Aanvankelijk is er weinig aan de hand, met zijn effectieve mengeling van scepsis en hartelijkheid lijkt Theroux ook het wantrouwen van deze neonazi’s te overwinnen. Totdat hij een lastig woord laat vallen: Joods.

Hij vraagt een man of hij ook met Joodse vrouwen omgaat. Als hij had gevraagd of de man elke morgen een radioactief besmet eitje bij zijn ontbijt nam, zou het antwoord niet veel anders zijn uitgevallen. Joden? Stel je voor, op zijn erf zou hij nooit een Jood dulden.

Vervolgens wordt Theroux in het defensief gedrongen. Is hij zelf soms een Jood? Theroux, die inderdaad van Joodse afkomst is, ontwijkt het antwoord. Het maakt niets uit wat ik ben, zegt hij enkele malen, maar daarmee neemt de skinhead geen genoegen. Ik stel mijn huis en mijn familie voor je open en jij wilt niet zeggen of je een Jood bent, zegt hij.

Theroux persisteert. De sfeer wordt dreigend. Die camera moet maar uit, zegt iemand. Dat gebeurt niet, maar wel trekt de familie zich terug in haar huis, Theroux onthutst achterlatend op het erf.

Het is een eigenaardige gewaarwording om deze film, die al zes jaar oud is, te zien in een periode dat de katholieke kerk in rep in roer is door de uitspraken van een antisemitische priester. Bij deze bisschop, Richard Williamson, zie je hetzelfde onverstoorbare soort antisemitisme als bij Metzger en zijn aanhangers. Ze hebben geen twijfel, ze menen wat ze zeggen.

Daarom heeft het zo weinig zin excuses van hen te verlangen. Williamson wil de kwestie nu verder bestuderen, las ik ergens, maar waarom zou hij? Hij weet het toch al: er waren geen gaskamers, de Joden hebben het allemaal verzonnen „opdat wij voor hen zouden knielen en hun nieuwe staat Israël zouden goedkeuren”. (Hoe zouden de gelovigen in de Canadese kerk waarin hij dit preekte, eigenlijk hebben gereageerd? Met boe-geroep?)

Dit alles zat ik te overpeinzen toen ik het nieuwste nummer van De Vestdijkkroniek begon te lezen. Simon Vestdijk? Is dat niet een heel ander ‘onderwerp’? Toch niet. Maaike Kramer beschrijft in dit nummer de geschiedenis van een volledig vergeten literair tijdschrift : De Tien. Het kwam maar éénmaal uit, in 1948.

De bedoeling was dat het door tien schrijvers zou worden gevuld, onder wie Vestdijk en de katholieke schrijver Antoon Coolen. Er ontstaat onrust als Johan van der Woude ontdekt dat Coolen in zijn boek Bevrijd Vaderland (1945) heeft geschreven: „Ik behoor tot hen die geen Jodenvrienden zijn. Wij hebben iets tegen de hebbelijkheden van het ras.”

De zaak wordt in der minne geschikt. Coolen, die zich tijdens de oorlog moedig had gedragen, geeft toe dat de passage ‘buiten de context’ de schijn van antisemitisme wekt en schrapt haar in een volgende druk. Vestdijk vindt het maar een weinig overtuigende ‘amende honorable’: „Dat hij persoonlijk niet voor Joden voelt, zal hij toch moeilijk kunnen ontkennen!”

Het onuitroeibaarste vooroordeel uit de wereldgeschiedenis. Lang geleden en toch nog zo dichtbij.