De euro is geen wondermiddel voor landen in Oost-Europa

Het lijkt erop dat West-Europa zijn inspanningen heeft verdubbeld om Oost-Europa te hulp te schieten.

Aan het einde van hun weekendtop hebben de leiders van Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië hun meningsverschillen terzijde geschoven om gezamenlijk op te roepen tot een verdubbeling van het noodfonds van het IMF tot 500 miljard dollar.

Gisteren veerden de zwaar belaagde Poolse zloty en Hongaarse forint als gevolg daarvan op. Maar de inspanningen om het oosten te redden moeten een lange adem hebben. Het is een kwestie van jaren, niet van één weekend.

Van de drie voormalige Midden-Europese sterren, Tsjechië, Polen en Hongarije, lijken de problemen van Hongarije het zwaarst. De Hongaarse centrale bank heeft de rente gisteren onveranderd gelaten op 9,5 procent. Het tekort op de betalingsbalans, de meest omvattende maatstaf voor de handel, bedraagt meer dan 5 procent van het bruto binnenlands product (bbp), het dubbelcijferige rendement op de staatsschuld is vrijwel onbetaalbaar geworden en het bbp zou dit jaar wel eens met 4 procent kunnen krimpen. De dalende vastgoedprijzen dreigen huizenbezitters kopje onder te laten gaan. Erger nog: de velen die leningen hebben uitstaan in euro’s of Zwitserse franken zullen merken dat hun schulden – omgerekend in forinten – stijgen, ook al daalt de waarde van hun bezit.

De moeilijkheden van Polen weerspiegelen die van Hongarije, en de jaarlijkse buitenlandse aflossingsverplichtingen van ongeveer 130 miljard dollar zouden wel eens drie maal hoger kunnen gaan uitvallen. Maar de begrotingspositie van Polen is beter en de rente is ongeveer half zo hoog als in Hongarije. Het grote probleem is dat om en nabij de helft van de binnenlandse leningen euroleningen zijn. De banken, die voor 70 procent in buitenlandse handen zijn, zullen hard worden getroffen. Maar zij hebben – net als de Polen zelf – weinig alternatieven dan zich staande zien te houden, en op zoek te gaan naar hulp van buiten. Die zou wel eens van het IMF kunnen komen.

Met dezelfde kwetsbaarheden als het om de banksector gaat, maar met een betere handels- en begrotingspositie, lijkt de Tsjechische Republiek de sterkste van het Midden-Europese drietal. Maar ook Tsjechië heeft zijn in buitenlands eigendom verkerende banken overbelast – en zal opnieuw over zijn toekomst moeten nadenken.

De meeste Midden-Europese politici denken nog steeds dat de uiteindelijke toetreding tot de euro het antwoord is op de kwetsbaarheden van de regio. Maar het voorbeeld van Ierland toont aan dat de euro zeker geen wondermiddel is. De relatief makkelijke verkrijgbaarheid van kapitaal bevordert excessen, terwijl de keiharde waarde van de munt het in slechte tijden moeilijker maakt de lonen omlaag te krijgen naar een concurrerend niveau.

De aanpassing van de regio, zowel in economische zin als in termen van beleid, is nog maar net begonnen.

Ian Campbell