Wie geeft er om de kip? Ik, ik!

Pas na Darwin konden wij echt naar dieren kijken, betoogt Rudy Kousbroek.

Zijn dierenliefde gaat over meer dan wetenschappelijke verwondering.

Bij Rudy Kousbroek thuis hadden ze een tamme beer. Dat was op Sumatra, waar Kousbroek opgroeide, niet ongebruikelijk. Maleise beren kwamen veel voor op het eiland en werden vaak als huisdieren gehouden. In huize Kousbroek slenterde Thor, zoals Rudy’s vader de beer had genoemd had, rustig door de kamers rond. En elke dag kreeg hij bij de lunch een lepel Venz’ Gouden Stroop. Het enige nadeel was dat Thor veel rotzooi maakte in huis. Je ziet het voor je, zoals Kousbroek deze jeugdherinneringen beschrijft in zijn boek Medereizigers over de liefde tussen mensen en dieren. Maar Maleise beren staan erom bekend dat ze op een gegeven moment hun aanhankelijkheid verliezen. Ze worden onverschillig en zijn niet meer te handhaven. Thor moest naar de dierentuin en de jonge Kousbroek barstte in snikken uit.

Deze emotionele omgang met dieren heeft Kousbroek nooit verloren, zoveel wordt wel duidelijk uit Medereizigers. Hoewel zijn huisdieren hier in Nederland minder exotisch zijn, schrijft hij nog steeds vol kinderlijk enthousiasme en empathie over dieren. Dat enthousiasme is zo groot dat het hem soms zijn eigen stellingen doet ontkrachten. Want Kousbroek zou Kousbroek niet zijn, als hij te midden van zijn lofzang op de dieren de kans niet zou aangrijpen om het christendom aan te vallen.

In meerdere hoofdstukken verkondigt hij zijn overtuiging dat geloof en dierenliefde moeilijk samengaan. Pas met Darwins evolutietheorie kregen mensen aandacht voor dieren zoals ze werkelijk zijn, leerden ze echt van dieren houden. Dat is een interessante stelling, die Kousbroek illustreert met voorbeelden uit de literatuur: vóór de wetenschappelijke revoluties van de negentiende eeuw bestond de literaire verbeelding van dieren voornamelijk uit projectie van menselijke eigenschappen. Er bestonden slechts karikaturen van dieren, alleen maar bedoeld om een moralistische boodschap over te brengen.

In zijn hoofdstuk over ezels wijt Kousbroek de negatieve beeldvorming en de slechte behandeling van deze ‘wonderen van trouw en geduld’ goeddeels aan het christendom. Het reisverslag uit 1879 van Robert Louis Stevenson, Travels with a Donkey in the Cévennes, dient als voorbeeld voor het gebrek aan aandacht dat gelovigen opbrengen voor hun trouwe reisgenoten. Als Stevenson meldt dat hij na drie dagen reizen nog steeds zo ‘koud als een aardappel’ stond tegenover zijn lastdier, luidt Kousbroeks commentaar: ‘Dat komt van al die theologische beschouwingen, dacht ik toen ik dat las, met al die „liefde voor het gebed”. (…) Wat blijft er zo nog over voor een muisgrijs ezeltje.’

Werkelijke dierenliefde komt alleen tot stand op basis van wetenschappelijke kennis, zo luidt de boodschap van Medereizigers. De evolutietheorie zorgde ervoor dat de vanzelfsprekendheid van de menselijke superioriteit boven dieren wegviel, én gaf dieren iets wat ze daarvoor nog nooit gehad hadden in de ogen van mensen: een verleden. ‘Zelfs een begrip als dierenbescherming is te danken aan de wetenschappelijke belangstelling voor het dier en niet aan de Christelijke moraal, die zich in tweeduizend jaar nimmer om het lot van de dieren heeft bekommerd.’

Er zit logica in deze gedachte, maar echt overtuigen doet Kousbroeks stokpaardje niet: dat de ware dierenliefde maar anderhalve eeuw oud is, en de afwijzing van het ‘Hogere’ daar een voorwaarde voor is, blijft te veel in het theoretische hangen. In zekere zin is Kousbroeks ode aan de dieren zelf al een ontkrachting van zijn theorie: de manier waarop hij zijn liefde aan dieren betuigt, gaat over veel meer dan alleen wetenschappelijke verwondering. De kracht van Medereizigers zit hem in Kousbroeks totale overgave aan de onschuld van de dierenwereld, waarvan hij de wreedheid en het pragmatisme welbewust over het hoofd ziet. Het lukt Kousbroek dan ook nauwelijks om christelijke metaforen als ‘paradijs’, ‘ziel’ en ‘schepping’ af te zweren. De lyrische uitspattingen waarmee Kousbroek zijn ode aan de dieren zingt, vormen een contrast met zijn pleidooi voor nuchtere empirische waarneming. Zo barst zijn lofzang op de kip uit in een uitroep als deze: ‘Wie geeft er om een kip? Ik. Is er iemand die altijd aan haar denkt? Ja, ik. Wie heeft haar lief? Ik, ik.’ Dat is geestig geschreven, maar ook typerend voor de manier waarop Kousbroek zijn beminde dieren op een voetstuk plaatst.

Nuchtere observaties worden afgewisseld met vertedering. Bijvoorbeeld wanneer Kousbroek schrijft over ganzen, die het eerste wezen dat zij zien als ze het ei uitkomen als hun moeder beschouwen. Dat leidt tot prachtige beelden van gansjes die achter een mens of een poes aan dribbelen. Kousbroek kan zijn vertedering niet kan bedwingen: ‘Wie daarnaar kan kijken zonder hopeloos verliefd te worden op ganzen is een Frankenstein.’

De innerlijke tegenstrijdigheid van Medereizigers maakt het boek eigenlijk alleen maar leuker om te lezen. De overheersende teneur bestaat uit een aanstekelijke dierenliefde. Alleen al hun bestaan beschouwt hij als ‘een cadeau dat ons in de schoot wordt geworpen door Moeder Natuur; soms zelfs dieren die gelukkig lijken te zijn in onze nabijheid. Dat is een opoffering, een wonder, een overblijfsel uit een verloren Paradijs.’ Deze bijna religieuze verering contrasteert overduidelijk met Kousbroeks pleidooi voor nuchtere wetenschappelijke waarneming. Maar meer dan dat laat ze vooral zien hoe de criticus van het christendom zozeer meegesleept wordt door zijn dierenliefde, dat hij er haast gelovig van zou worden.

Rudy Kousbroek: Medereizigers. Over de liefde tussen mensen en dieren. Augustus, 191 blz. € 17,90