'We houden van veel verschillende muzieksoorten'

Het buitenissige Londense Lost and Found Orchestra komt naar Amsterdam om te spelen op stofzuigers, verkeerspionnen, zagen en vuilnisvaten.

Floris van Straaten

Een vreemder allegaartje zal er in ’s werelds concertzalen zelden te horen zijn geweest. Van plastic verkeerspionnen tot zagen, van vuilnisemmers tot stofzuigers, geen voorwerp of het Lost and Found Orchestra (LFO) heeft er een muziekinstrument van weten te maken.

Nog opmerkelijker wellicht: het ensemble van de gevonden voorwerpen brengt heel welluidende ritmische muziek voort met zijn curieuze verzameling instrumenten. Ook in muzikale zin is het overigens een ratjetoe. Nu eens doet de muziek aan gamelan denken, dan weer aan Afrikaanse muziek of aan Japanse composities.

„We houden van veel verschillende soorten muziek”, beaamt Steve McNicholas, samen met gangmaker Luke Cresswell muzikaal leider van het LFO. De eersten die stofzuigers de concertzaal in loodsen zijn ze evenmin. Maar ondanks die invloeden en voorbeelden speelt het LFO – de afkorting is op zichzelf al een grap, slechts één letter afwijkend van Londens befaamde orkesten LSO en LPO – op een lichtvoetige en hoogst inventieve wijze met klanken.

Visueel is het orkest, dat onlangs optrad in de Londense Royal Festival Hall, vaak even verrassend en humoristisch. Amsterdam, waar het LFO vanaf eind februari elf keer optreedt in het Carré-theater, heeft dan ook een opwindend spektakel in het vooruitzicht.

Het Lost and Found Orchestra is een reïncarnatie van Stomp. Dit gezelschap, door voormalige straatmuzikanten in Brighton opgericht, maakte in de jaren 90 wereldwijd furore met programma’s waarin getrommel op vuilnisvaten gepaard ging met dans. „Tijdens opnames voor een film enkele jaren geleden in Roemenië hadden we een grotere rol voor andere instrumenten ingeruimd”, vertelt Steve McNicholas, in de pauze van een van de laatste Londense concerten. „Toen beseften we plotseling dat we dit soort muziek live moesten spelen.”

Er volgde een lange periode van voorbereidingen. Veel instrumenten moesten nog worden ontwikkeld. McNicholas lachend: „We houden altijd onze ogen open voor nieuwe voorwerpen, die zich lenen voor gebruik als instrumenten.” Een mooie vondst was een enorme gong in een achtertuin. Een reeks oude pannen van een bedrijfskeuken bleek uitstekend als pauken dienst te kunnen doen.

Maar McNicholas erkent dat niet alle instrumenten bij het oud vuil zijn gevonden. De zagen zijn speciaal aangeschaft bij een ijzerwarenwinkel. Lastiger overigens was nog geschikte spelers te vinden voor alle instrumenten. Wie kan zo maar tuinslangen met trechters erop als een volwaardig blaasinstrument bespelen? Moeilijk was ook de ‘strijkers’ van de zagen met elkaar te laten spelen.

Wat er uiteindelijk uitrolde, overtreft vrijwel ieders verwachtingen. In Brighton en het befaamde Sydney Opera House reageerde het publiek enthousiast. Een probleem in Sydney was dat een van de tanks, waarin instrumenten waren ondergedompeld, tijdens de voorstelling barstte, met een een kleine overstroming als gevolg. Het mocht de pret niet drukken. Ook in Londen was de zaal vrijwel steeds uitverkocht.

Typerend is het begin, waarbij vijf mannen, één contrabaskist en vier cellokisten ten tonele verschijnen. Na wat merkwaardige zuigende geluiden schakelen ze over op een eigenaardig getrommel op hun kisten. Vervolgens slaat het deksel van de contrabaskist open en duikt er een kleine man op, die uit weer een andere hoes een pijp te voorschijn haalt, waarmee hij ritmisch op de grond begint te slaan, bijgestaan door snel opgedoken collega’s met soortgelijke instrumenten. De voorstelling zit vol met zulke surrealistische, absurde momenten. Als toeschouwer voel je je soms een beetje in een film van Jacques Tati.

De klassieke muziek wordt op de hak genomen als Luke Cresswell dirigeert in een lang zwart jacquet met een spijkerbroek daaronder. Hij wordt onstuimig omhelsd door een muzikant of bijna omver gekegeld door voorbij flitsende acrobaten of spelers met instrumenten op wieltjes.

Steeds weer wordt het publiek verrast met nieuwe merkwaardige geluiden, soms van stellages die tientallen meters boven de toneelvloer balanceren. Onder meer met een zingende tanden poetsende man, die vervolgens een wc doortrekt, waarna de musici aansluiten bij het geborrel in de afvoertank.

Het slot doet onverwachts denken aan Beethoven. Het orkest lijkt, net als bij sommige symfonieën niet het juiste einde te kunnen vinden. Elk nieuw daverend slotakkoord wordt begeleid met een nieuwe lichtflits. Daarna volgt nog eens een finale met een heus koor, dat tegen het plafond lijkt te zijn geplakt. Wat ze zingen? Wie het weet mag het zeggen.

Het Lost and Found Orchestra: 28/2 t/m 8/3 Carré, Amsterdam.