Pas in Irak weet je wat je echt waard bent

Schrijver Arnon Grunberg is in Irak aangekomen. Deel 3 van een serie.

Van het vliegveld van Bagdad naar checkpoint 13 is een kwartiertje met de auto. Voor de zekerheid besloot ik gebruik te maken van de diensten van beveiligingsbedrijf Edinburgh International. Hoe duurder hoe veiliger, is een waardevolle illusie.

We reizen met twee auto’s af. Naast mij zit Mike, een aannemer die voor het Amerikaanse ministerie van Defensie werkt. „Weet je waarom het zo lang duurt voor we onze bagage kregen?” vraagt hij. „Omdat ze eerst alles doorzochten om de waardevolle spullen eruit te halen. Dit land wordt geregeerd door criminelen.”

Bij checkpoint 13 zal ik worden opgehaald door eerste luitenant Doy Demsick, om vandaar naar FOB (Forward Operating Base) Warhorse, in de provincie Diyala, een kilometer of zestig ten noordoosten van Bagdad, te worden getransporteerd.

Checkpoint 13 blijkt om onduidelijke redenen te zijn gesloten. Wachtend langs de kant van de weg valt me op dat er in vergelijking met negen maanden geleden niets is veranderd. Of toch, de Oegandezen. De nieuwe huurlingen komen uit Oeganda.

Jake, van Edinburgh International, wijst op een busje met huurlingen. „Dat is de ergste beveiliging die je kunt krijgen, die Oegandezen, want ze zijn zo corrupt als de pest. Voor 1.000 dollar laten ze iedereen binnen. Maar met hun maandsalaris zou ik ook corrupt kunnen zijn.”

De economie van de beveiliging werkt als volgt: je moet aan hen die jou beschermen meer betalen dan degenen die je willen doden. Pas in Irak kom je te weten wat je echt waard bent.

Ik zie twee Amerikaanse militairen bij checkpoint 13, aangevuld met een handjevol Oegandezen.

„Wat een chaos”, zegt Jake.

Uiteindelijk haalt een huurling me op. Hij draagt mijn zware tas waarin mijn scherfvest en mijn helm zitten. Een belangeloze daad, maar ook een transactie. Hij sjouwt, ik geef hem mijn dankbaarheid, mijn glimlach, mijn vriendschap voor wat die waard is.

Uit een civiel voertuig komt eerste luitenant Demsick geklommen. Een vrolijke jongen van mijn lengte. Ik schat hem 25.

Binnenkort houdt hij met het leger op. Hij wil naar Europa.

„Ik heb slecht nieuws voor je”, zegt hij. „Je vlucht naar Warhorse gaat waarschijnlijk pas over twee dagen.”

Ik word uitgeladen op Camp Striker waar ik verleden jaar ook ben geweest. Ook hier is niets veranderd.

De totale wezenloosheid die langdurig wachten met zich meebrengt.