Hoe futiel is dan het literaire bedrijf

L.H. Wiener: Herinneringen aan mijn uitgevers. Contact, 176 blz. €16,95

In een meedogenloos zelfportret zet L.H. Wiener zich in Herinneringen aan mijn uitgevers neer als wraakgierige, verongelijkte, dreinerige en manische egotist. Het boek bestaat uit brieven aan en van Wieners talrijke uitgevers en redacteuren waar de honden geen brood van lusten, ware het niet dat Wiener als altijd schrijft in een fabuleuze stijl.

Herinneringen aan mijn uitgevers geeft zo een curieus inkijkje in de relaties tussen uitgevers en schrijvers, relaties die – als commercieel succes uitblijft – al snel een gespleten, half vijandig karakter kunnen krijgen. Het boek is ook voor wie zich niet bekreunt om het geneuzel in het literaire bedrijf een psychologisch en literair boeiend document.

Wiener heeft decennialang geleden onder gebrek aan erkenning en ernstige paranoia. Al die tijd worstelde hij bovendien met een merkwaardige zinsbegoocheling: wie met hem in conflict kwam, of hem onheus bejegende moest dit met persoonlijke rampen bekopen.

Zijn eerste redacteur bij Meulenhoff, Willem Bloemena, tot en met Adriaan Jaeggi van uitgeverij Thomas Rap en velen daar tussen vielen na aanvaringen met Wiener ten prooi aan verdriet, ziekte en dood.

Het meest aangrijpende geval is dat van Bloemena, die zich na een verloren proces over Wieners debuutbundel Seizoenarbeid unfair tegen de schrijver had gedragen. Zijn zoontje werd kort daarop door een pedofiele tijdschriftencolporteur vermoord. Van Wieners kant kon er nog geen condoleancebriefje af. Vele jaren later, brengt hij dan toch nog ‘een saluut’ aan Bloemena: ‘Weet dat ik op afstand je onmachtige smart heb gevoeld [...] En weet dat ik sedertdien aan onze omgang en onze verwijdering nog slechts heb kunnen denken met gevoelens van deemoed en gêne. Hoe futiel is dan het literaire bedrijf.’

Dat kun je wel zeggen. De lezer constateert dat Wiener een nare, louter op zichzelf gefixeerde hork is. Maar hij is ook een gekwelde geest. Als een boekhouder van andermans tekortschieten (jegens hem) heeft hij alles gearchiveerd wat hem ooit is aangedaan, met als apotheose een haatbrief tegen uitgever Mai Spijkers, ‘de meest gewetenloze uitgever die in Nederland ooit in de rondte heeft gegraaid’.

Als Wiener niet zo geobsedeerd was geweest door miskenning en wél vroeg succes had gehad, wat zou er dan van dit schrijverschap zijn geworden? Voor wie niet in de achterklap en rancune is geïnteresseerd, maar wel in de literatuur, is dit een intrigerende vraag. Misschien was Wiener dan niet zo’n briljante schrijver geworden.

Elsbeth Etty