Het zeer nabije oosten

Voor de enkeling die nog weleens oplet bij de veiligheidsinstructies in het vliegtuig, is de aanbeveling bekend: doe eerst zelf het zuurstofmasker op, voordat je er een kind mee helpt. Deze tip wordt in Europa breed toegepast waar het de aanstormende recessie betreft. De oude, gevestigde lidstaten van de Europese Unie redden eerst zichzelf, voordat zij zich in staat achten hun junioren te hulp te schieten.

De jongeren in kwestie zijn de economieën van Centraal- en Oost-Europa, waarvan er vele inmiddels lid zijn van de Europese Unie. De financiële problemen van deze landen groeien met de dag. Niet alleen zijn zij voor een belangrijker deel afhankelijk van de export, terwijl de buitenlandse, vooral West-Europese afzetmarkten krimpen. Zij zijn ook grotendeels gefinancierd met buitenlands kapitaal.

Vooral in dat laatste doet de opkomst van Oost-Europa sinds het begin van de jaren negentig denken aan Azië aan de vooravond van de crisis in 1997-’98. Er is veel geld geleend in buitenlandse harde valuta tegen een lagere rente dan de hoge tarieven die voor de eigen munt gelden. Nu dat fout gaat, treedt een neerwaartse spiraal in: de eigen valuta’s verzwakken, waardoor het betalen van de buitenlandse leningen steeds duurder wordt, hetgeen de eigen munt verder aantast.

Daar komt bij dat West-Europese banken op de financiële markten worden aangesproken op hun blootstelling aan Oost-Europa, en zich dreigen terug te trekken of hun activiteiten verminderen. Op deze manier krijgt Oost-Europa zijn eigen financiële crisis voor de kiezen. De westerse landen denken eerst aan zichzelf. Het is al lastig genoeg om in de kern, de eurozone, enige solidariteit te bewaren, laat staan tegenover de nieuwe leden van de EU en de landen die nog in de wachtkamer zitten.

Toch is het onverstandig om Oost-Europa links te laten liggen, en niet alleen uit humanitaire overwegingen. De snelle uitbreiding van de EU naar het oosten is verdedigd met het argument dat economische stabiliteit ook politieke stabiliteit met zich meebrengt. Daar was het de EU aan zijn oostgrens zeker ook om te doen. De jonge economieën zijn ook jonge democratieën. In de mondiale recessie heeft iedereen pijn, maar vermijdbare economische en financiële problemen in deze regio zijn ongewenst. Europese organisaties als de Europese Investeringsbank, of de European Bank for Reconstruction and Development kunnen bijspringen, maar zijn te klein om de problemen op te lossen.

De president van de Wereldbank, Zoellick, zei vorige week dat ook zijn organisatie en het Internationaal Monetair Fonds assistentie nodig hebben van rijkere Europese landen om Oost-Europa effectief te kunnen helpen. Die oproep is terecht. Al zijn de middelen op dit moment beperkt, er kan toch veel worden gedaan of liever: nagelaten. De bevoordeling van de eigen industrie ten nadele van Oost-Europa is nodeloos en schadelijk. Het verplichten van banken zich te concentreren op kredietverlening in eigen land is kortzichtig. Oost-Europa is een deel van ons Europa geworden. Dan moet het ook zo worden behandeld.