Zij de sporen, wij de spullen

In dorpen vol historie, maar zonder eigen archeologische dienst, hebben vrije gravers vrij spel. Theo Toebosch

Hoe noem ik hem? Schatgraver? “Nee, vrije graver”, zegt de Vrije Graver, die niet met zijn naam in de krant wil. Te midden van het winkelende publiek op een natte koopzondag in het centrum van Hoorn valt hij niet uit de toon. Niets dat erop wijst dat hij en nog een mannetje of tien in hun vrije tijd in West-Friesland tientallen, zo niet honderden (illegale) opgravingen hebben uitgevoerd. “Rij maar achter me aan.”

De ontmoeting is geregeld door archeoloog Sebastiaan Ostkamp. Terwijl we de Vrije Graver volgen, legt Ostkamp uit wat er aan de hand is. “In de dorpen tussen Hoorn en Enkhuizen zijn al jaren gravers bezig. Zodra ergens in de historische kernen van die dorpen gebouwd wordt, komen zij langs en halen de grond leeg. Het is ze vooral te doen om zestiende- en zeventiende-eeuws aardewerk.”

Precies het soort aardewerk waarin Ostkamp als keramiekdeskundige is gespecialiseerd. “Ik ben bezig met een proefschrift over wat afbeeldingen zeggen over de mentaliteitsgeschiedenis van die tijd.” De haan op dure zilveren en goedkopere aardewerken huwelijksgeschenken verwijst bijvoorbeeld naar de dominante, maar ook beschermende rol van de man binnen het huwelijk, legt hij uit. “Bijbelse scènes tref je echter nauwelijks aan op huwelijkskeramiek. Andersom vind je op zilver geen omdraaiingen van de rolverdeling tussen man en vrouw en dus geen afbeelding van een man in vrouwenkleren die een kind wiegt. Zo zie je dat de elite en de gewone man soms dezelfde waarden aan het huwelijk toekenden en soms niet.”

Ostkamp is voor zijn studiemateriaal aangewezen op goede contacten met gravers en verzamelaars van bodemschatten. “Via de antiekhandel zijn de vondsten ook in musea als het Rijksmuseum, het Openluchtmuseum en Boijmans van Beuningen terechtgekomen. En in het buitenland, in onder meer het Victoria and Albert Museum in Londen.”

GRAADMETER

Hij zou het liefst onderzoek doen op basis van vondsten uit officiële archeologische opgravingen, maar die zijn er nauwelijks. Hoe dat kan? “Veel van mijn collega-archeologen zijn niet in het aardewerk uit de Late Middeleeuwen en de vroege Moderne Tijd geïnteresseerd. In Friesland is het zelfs officieel provinciaal beleid om de periode na 1500 als ‘archeologisch niet relevant’ af te doen. Als andere archeologen wel interesse hebben, zien ze het hoogstens als een goede graadmeter om erachter te komen of de vroegere gebruikers arm of rijk waren.”

Dat blijkt volgens Ostkamp subtieler te liggen. “In een stad als Alkmaar hebben we in combinatie met historisch onderzoek kunnen vaststellen dat majolica (aardewerk met bonte beschilderingen) in de zestiende eeuw alleen bij de rijken voorkwam. Begin zeventiende eeuw wordt het al door alle bevolkingsgroepen gebruikt en in de loop van die eeuw verschuift het accent zelfs naar de lagere sociale klassen. De hogere klassen kopen dan faience en porselein.”

GRACELAND

Buiten de steden, op het platteland, lag het weer anders. “Uit historische bronnen weten we dat handel, zeevaart, walvisvaart en visserij in dorpen als Graft en De Rijp grote rijkdom brachten, maar de smaak van de financiële elite van die dorpen blijkt overeen te komen met die van de lagere sociale klassen in de steden. Status werd uitgedrukt in grote hoeveelheden rijk versierd slibaardewerk en majolica. Ik noem dat Graceland in de polder.”

De Vrije Graver stopt in een buitenwijk van Hoorn. “Hier kun je gratis parkeren. Dan gaan we met mijn auto verder.” Richting Grootebroek schetst hij snel de geschiedenis van de streek. “Grootebroek vormde samen met Bovenkarspel en Lutjebroek Stede Broec. Deze drie hadden onder die naam al in de vijftiende eeuw stadsrechten en een haven, Broekerhaven. Ze hadden alleen geen stadsmuren. Hoorn en Enkhuizen hebben steeds hun best gedaan om wat ze als een directe concurrent zagen uit de weg te ruimen.” Hij wil maar zeggen: dit is geen economisch en cultureel achtergebleven gebied geweest. En dus is het nu interessant voor gravers.

Hij doet het al zo’n dertig jaar. “Vanaf mijn vijftiende.” Nee, niet voor het geld, maar uit interesse voor historisch materiaal en geschiedenis. Vandaar dat hij het archief induikt om alles over een pottenbakker te weten te komen, voor het Westfries Museum een tentoonstelling over majolica organiseert en van een andere schatgraver een majolicabord in stukken overkoopt om dat door een kenner te laten restaureren. “Van dat geld had ik ook een paar keer op vakantie gekund.”

In zijn eerste jaren richtte de Vrije Graver zich op de beerputten in de steden. Hij hoort nog tot de oude garde die er eer in schepte om een beerput helemaal en dus goed leeg te halen. Een hele kunst, want een beerput kan makkelijk instorten. Van de gevestigde archeologie, vooral geïnteresseerd in de prehistorie en druk bezig met het opgraven van zaken als huisplattegronden, hadden ze geen last. “We hebben dan ook het gezegde ‘zij de sporen, wij de spullen’.”

De komst van stadsarcheologen vanaf de jaren tachtig zorgde ervoor dat de gravers langzaam maar zeker uit de steden werden verdreven. In grote steden met kleine archeologische diensten werd nog wel eens een oogje dichtgeknepen, zolang de gravers hun belangrijkste vondsten maar meldden en lieten zien. “In Amsterdam hadden ze zelfs een geheim potje voor aankopen. Ik kan je de kwitanties zo laten zien.”

De laatste jaren zijn de gravers vooral bezig in het buitengebied. In de dorpen vol historie, maar zonder eigen archeologische dienst hebben ze nog vrij spel. “We kennen de buurt en weten meteen of ergens iets gebouwd gaat worden. Dan is het een kwestie van even een hek opzij schuiven en aan het werk gaan.” Vergis je niet, voegen hij en Ostkamp eraan toe, het gaat soms om hele gezinnen of mensen die in het dagelijks leven keurig als makelaar of chirurg werken.

HUIZEN MET SLOTEN

De Vrije Graver rijdt langs de velden van voetbalclub De Zouaven in Grootebroek en parkeert in de Zesstedenweg tegenover een nieuw appartementengebouw. Dit is zo’n plek waar gravers bezig zijn geweest. “Kijk maar.” Uit een map haalt hij een kopie van een topografische kaart uit 1550-1570; onmisbaar voor de vrije graver. “Gemaakt door cartograaf Jacob van Deventer, die in opdracht van Filips II alle Nederlandse steden gedetailleerd in kaart heeft gebracht. Hier zie je de kerk en het vroegere gemeentehuis, die daar verderop in de straat staan. Het is één lange rij van huizen met sloten. Deze plek ligt dus precies in het oude historische centrum. Dan weet je dat er iets te halen valt, ook al zegt een archeologisch bedrijf zoals in dit geval dat er niks zit.” Een fotoboek vol versierd wit aardewerk bekrachtigt zijn woorden. “Portugees; lijkt op porselein, dat net iets duurder is.” Ostkamp wijst: “Deze afbeelding van een dubbelkoppige adelaar is weer een voorbeeld van huwelijkssymboliek.”

Natte sneeuw drijft ons naar een nabijgelegen snackbar. Ernaast staat een monumentale boerderij. “Rijksmonument”, weet Ostkamp. “Heeft jaren leeg gestaan. Dat was de kans om hier een echte opgraving te doen. De gravers zijn alleen maar geïnteresseerd in de krenten uit de pap, het luxe aardewerk. Maar zo krijg je geen totaalbeeld van het leven in die tijd. Daarvoor heb je al het afval nodig en grondmonsters voor ecologisch onderzoek. Uit de bronnen weten we verder dat het gebied vol zat met ovens voor levertraan; op Spitsbergen hebben Nederlanders wel ovens opgegraven, maar hier is er nog nooit één opgegraven. Ik ben bij de provincie geweest om een opgraving voor te stellen. ‘Moet je bij de universiteit zijn’ was de reactie. En bij de universiteit zeiden ze: ‘Moet je bij de provincie zijn.’ Toen de boerderij verkocht was, is een lokale jongen bij de bewoners langs geweest of hij in hun tuin mocht graven en die heeft alles eruit gehaald.”

ONDERZOEKSAGENDA

Het gebrek aan belangstelling van en actie door de officiële archeologie is opvallend, omdat onderzoek naar de relatie tussen stad en platteland volgens de Nationale Onderzoeksagenda van de Nederlandse archeologie een van de speerpunten is. Ostkamp: “Dit past er bij uitstek in. Ik heb het een paar jaar geleden op het nationale archeologencongres al een keer aan de orde gesteld, maar er gebeurt niets.”

Ook de Vrije Graver, die naar eigen zeggen sinds kort niet meer graaft, wil nu dat de officiële archeologie en de lokale gemeenten hun verantwoordelijkheid gaan nemen. Maar die instanties voelen zich – desgevraagd – niet verantwoordelijk.

Archeologische bedrijven, die tegenwoordig in de streek onderzoek doen als ergens gebouwd wordt, houden zich noodgedwongen strikt aan hun opdrachten. Dat betekent bij vooronderzoek bijvoorbeeld niet dieper dan de toekomstige fundering kijken en niet buiten de bouwkavel, ook al weten ze dat tien centimeter dieper het bodemarchief begint of dat in de achtergelegen tuin de bulten van putten of de loop van oude sloten te zien zijn. En de mensen die de programma’s van eisen voor de bedrijven opstellen, zeggen dat het een geldkwestie is. Als ergens na vooronderzoek toch een opgraving nodig blijkt te zijn, dan duurt het vaak lang voordat die opgraving begint, zó lang dat gravers van de gelegenheid profiteren. Een omgespit project in Enkhuizen is een recent voorbeeld.

BODEMARCHIEF

Officieel is het de taak van de gemeenten ervoor te zorgen dat bodemschatten niet gestolen worden, maar vaak ontbreekt belangstelling, archeologische kennis of beginnen ze nu pas hun bodemarchief in kaart te brengen. Zie Grootebroek dat pas sinds vorig jaar een archeologiebeleid heeft.

Aan de universiteiten gebeurt ook niets. De recentelijk benoemde hoogleraar urbane archeologie wil wel, maar is maar één dag per week in dienst.

Mogelijke oplossing: een regionale archeologische dienst. Hoe dan ook, zeggen Ostkamp en de Vrije Graver, er moet snel iets gebeuren, want anders is in West-Friesland alles weg. “Graft en De Rijp zijn al leeggehaald.”