Zelfstandigen in de thuiszorg in de tang

De rechter vindt dat de fiscus onwettige afspraken heeft gemaakt met zelfstandigen in de thuiszorg. Hun fiscale status berust daardoor op drijfzand.

Verreweg de meeste mensen in de thuiszorg werken in loondienst. Een deel werkt liever als zelfstandige. Ze werken dan onafhankelijk, houden meer geld over en kunnen zelf hun klanten kiezen, net als elke kleine zelfstandige zonder personeel (zzp’ers) Maar die zelfstandigheid heeft een keerzijde. Ze moeten er op uit om werk te vinden, krijgen gemakkelijk problemen met de fiscus en moeten zich de concurrentie van het lijf houden.

Het eerste probleem is nog wel op te lossen. Er zijn bemiddelingsbureaus die klanten aanleveren en bovendien een deel van de rompslomp voor hun rekening nemen. Maar dat kost een lieve duit, ruim 20 procent van het verdiende geld gaat naar de bemiddelaar. Nog problematischer was het dat de belastinginspecteur deze mensen in de thuiszorg kwalificeerde als werknemers van het bemiddelingsbureau en niet als zelfstandigen. Daarmee zijn de forse fiscale voordelen van een zzp’er van de baan. Eind 2007 dreigden de zelfstandigen in de thuiszorg met duizenden tegelijk het bijltje er bij neer te gooien. Onder druk van de Tweede Kamer sloten de thuiszorgbemiddelaars en staatssecretaris Jan Kees de Jager (Financiën) daarom in 2008 een akkoord (convenant).

De zzp’er in de zorg werd omgedoopt tot zelfstandig ondernemer zorg (zoz’er). Onder invoering van een serieus keurmerk voor de zelfstandige thuiszorger en een berg aan administratieve lasten, was zijn fiscale status gegarandeerd.

Vervolgens stak het derde probleem voor zelfstandigen de kop op: de concurrentie. In de vrije markt voor de zorgsector opereren behalve de bemiddelingskantoren ook de gevestigde thuiszorgorganisaties. Ze bieden zorg in natura. Ze regelen dat een zorgverlener die bij hen in loondienst is, bij de klanten langsgaat. Zo zetten ze 140.000 werknemers in. De 10.000 zoz’ers vormen wat dat betreft een kleine groep.

Maar hoe klein die groep ook is, ze worden door de reguliere thuiszorg als concurrenten gezien. Als oneerlijke concurrenten zelfs. De zelfstandigen noch de bemiddelaars hoeven werkgevers- en werknemerslasten af te dragen. Daardoor is er geen sprake van een commercieel gelijk speelveld in de thuiszorg vinden de grote organisaties. Die storen zich er ook aan dat de bemiddelaars niet investeren in de kwaliteit van de zorg.

Ondertussen strijken ze wel geld op dat voor de zorg is bedoeld. Met deze argumenten hebben de reguliere zorginstellingen het convenant met de Belastingdienst in een kort geding voor de rechter aangevochten. Ze hadden succes. De rechter schoof eerder deze maand de fiscale afspraken als onwettig terzijde.

Kunnen degenen die het document hebben ondertekend er nog op rekenen dat de Belastingdienst het uitvoert? Nee, zegt de kortgedingrechter; ja, zeggen fiscalisten. De belastingrechter houdt de fiscus namelijk aan zijn afspraken zelfs als die in strijd met de wet zijn. Nou ja, zolang de Belastingdienst het daarbij niet te bont maakt. In dit geval kunnen de zelfstandigen bij de belastingrechter afdwingen wat de civiele kortgedingrechter juist verbiedt.

Voor een nieuwe lichting zelfstandigen wordt het moeilijker. De kortgedingrechter verbiedt de fiscus uitdrukkelijk aanmeldingsformulieren voor zelfstandigenstatus van thuiszorgers te versturen. Het officiële standpunt van de Belastingdienst is nu dat de inspecteur ieder geval weer op zijn eigen merites beoordeelt. Onuitgesproken klinkt daarin door dat het convenant officieus wordt doorgezet. Het eindresultaat is dat de zelfstandige thuiszorger juridisch geen bijzondere rechten meer heeft. Maar als hij zich naar het inmiddels onwettige convenant gedraagt, heeft hij nog onofficiële rechten.

Met hun kort geding hebben de reguliere zorginstellingen de positie van de bemiddelingsbureaus danig verzwakt. Maar hun overwinning in dit juridische steekspel betekent het verlies van de patiënt en de zelfstandige zorgverlener. Die laatste heeft nu fiscaal geen vaste grond meer onder de voeten.

Aertjan Grotenhuis

Meer informatie : www.nrc.nl/geld