Veel te veel eilandjes

De laatste natuur gaat voor de bijl. Op de valreep zoeken biologen naar de beste beschermingsmaatregelen. Hester van Santen

De Azoren waren de laatste plek die Charles Darwin bezocht met de Beagle, maar niet de fraaiste. Op 19 september 1836 legde het schip aan in de haven van Angra, de hoofdstad van het eiland Terceira. “Het land is goed in cultuur gebracht”, zag hij. “Er zijn weinig tot geen bomen, en het gele stoppelland gaf het landschap in deze tijd van het jaar een opgebrand en onprettig karakter.”

Vorige week, het Darwinjaar was net officieel geopend, ging het in het Leidse natuurmuseum Naturalis weer over de Azoren. Op het tweedaagse symposium Evolutionary islands 150 years after Darwin vertelde onderzoeker Kostas Triantis, uit Oxford, aan medebiologen ook over wat hij in de archipel aantrof. Net als Darwin zag Triantis veel kale grond. En hij zei erbij dat, toen het eiland in 1440 werd gekoloniseerd, nog meer dan 90 procent van de eilanden met bos bedekt was. Nu beslaat het bos alleen nog de hooggelegen hellingen, in totaal slechts 2,5 procent van het oppervlak.

Triantis en zijn voorgangers telden in die bossen de torren en spinnen. Er kwamen nog opvallend veel soorten voor, ontdekten ze. Vooral op de kleine eilanden, waar weinig ruimte is, is het aantal soorten te groot voor het bosoppervlak. Triantis is daar somber over: 50 tot 100 procent van de torren en slakken zal uitsterven, voorspelde hij.

“Het is een voorspelling, en die kan totáál verkeerd zijn”, zegt hij er wel drie keer bij terwijl hij, hangend op een stoel tijdens een pauze, zijn conclusies nog eens uitlegt. Maar het volgt wel een bekend principe. De natuurorganisatie IUCN concludeerde in 2007 bij de presentatie van de nieuwe Rode Lijst van bedreigde soorten dat ‘de overgrote meerderheid’ van de soorten die sinds het jaar 1500 zijn uitgestorven, op eilanden leefde.

OPWARMING

“Het leven op eilanden is vreemd en fragiel”, zei Mark Lomolino van het College of Environmental Science and Forestry in New York, die het symposium inleidde. En het probleem van dat principe, zei hij erbij, is dat ook veel ecosystemen op het vasteland ‘eilanden’ zijn geworden. De oceaan bestaat uit akkers en weiland, de zeestraten uit snelwegen. En opwarming van het klimaat laat soorten hun heenkomen zoeken op koele bergtoppen. Dat veranderde de afgelopen twintig jaar het uitstervingspatroon, voegde de IUCN twee jaar toe. “Uitsterven is op continenten net zo gewoon geworden als op eilanden.”

Biologen bestuderen uiteenlopende voorbeelden van zulke ‘eilanden’. Ze vragen zich af hoe de ecosystemen zich er ontwikkelen. Op afgelegen eilanden komen weinig planten en dieren terecht, die dus het rijk alleen hebben als ze tóch arriveren. Vaak ontstaan er binnen een korte tijd veel nieuwe soorten.

Wat er daarna met die soorten gebeurt, was het onderwerp van veel lezingen. Grote eilanden kunnen meer soorten herbergen dan kleine. Maar wanneer wordt een gebied echt te klein? Hoeveel redding bieden verbindingen met andere eilanden? Als er delen van de voedselketen wegvallen, stort dan het ecosysteem in? En zo ja, welke soorten zullen dan als eerste uitsterven? Op dat laatste had Lomolino in ieder geval een duidelijk antwoord: de grote beesten. De grote katachtigen gingen eraan toen mensen Noord en Zuid-Amerika koloniseerden; in Australië verdween onder andere de reuzenmierenegel.

Om andere vragen te beantwoorden, kunnen biologen twee dingen doen: veldonderzoek of experimenten. Een voorbeeld van dat laatste is het Manaus Fragments Project: een experiment dat sinds 1979 in het Braziliaanse Amazonewoud loopt. Landbouwontginning scheidde destijds stukken bos van het omliggende oerwoud; biologen besloten dat isolement voor elf bosjes in stand te houden. Onderzoeker Gonçalo Ferraz presenteerde een nieuw resultaat. Het vormt een bijdrage aan een langlopend debat dat in jargon het sloss-debat heet: Single Large Or Several Small. Wat is beter voor de biodiversiteit: 100 gebiedjes van 1 hectare, of 1 van 100. In de rij voor de koffie vatte hij zijn conclusie samen, en eerder onderzoek op dit gebied. “Als het oppervlak vaststaat, kun je beter veel kleine gebiedjes hebben dan één grote. Het is alleen van belang als je natuurgebied al erg klein is. Als je gebied al verkleind is tot honderd hectare, verlies je de helft van je soorten in vijftien jaar.”

In hoeverre kunnen we ervan uitgaan dat dat dan ook in werkelijkheid gebeurt? Met die vraag kampen biologen, bleek vrijdagmiddag bij de slotdiscussie. New Yorker Mark Lomolino over Ferraz’ studie: “Dit experiment zegt veel meer over SLOSS dan de voorspellingen.”

Maar, zo concludeerden de deelnemers ook: een experiment toont wat kán gebeuren. In de natuur zien we de werkelijke uitkomst. Tijs Goldschmidt en Frans Witte vertelden op het symposium nog eens over het dramatische uitsterven van het overgrote deel van de cichliden in het Victoriameer. Dat voltrok zich medio jaren tachtig in een jaar of drie, pas twee decennia nadat de nijlbaars in de omgeving was uitgezet. Opeens waren de cichliden weg. De onderzoekers, die de vissen al sinds 1979 nauwkeurig hadden gevolgd, hadden het niet zien aankomen.