Snotneuzen en hoestbuien

Het genetisch materiaal van alle 99 bekende rhinovirussen is in kaart gebracht. Komt er dan nu eindelijk een vaccin tegen verkoudheid? Marianne Heselmans

Wéér flink verkouden geweest deze week? Grote kans dat een rhinovirus zich in uw neusslijmvliescellen vermeerderde tot miljoenen of miljarden deeltjes.

Het rhinovirus is een van de kleinste virussen. Eén draadje RNA met maar 7500 basen is alle genetische informatie waar het virus over beschikt. Dit draadje, met het beschermend eiwitmanteltje erom heen, is 500.000 keer kleiner dan een duizendste millimeter. Behalve in de lucht, kunnen de verraderlijke deeltjes ook op deurknoppen, tafelbladen en de huid zitten. Daarop kunnen ze een paar uur blijven ‘leven’ voordat ze uit elkaar vallen of, via onze handen, in onze neus belanden.

Het is al jaren een raadsel waarom de ene mens van deze rhinovirussen geen last heeft, of alleen maar kort een snotneus krijgt, terwijl bij een ander zijn luchtwegen helemaal dicht gaan zitten, en een derde ook nog eens hoestbuien of zelfs astmatische aanvallen moet verduren.

Moleculair typeren van rhinovirussen bij mensen die wel en geen luchtwegklachten hebben, heeft tot nu toe geen uitkomst gegeven. Soms vinden onderzoekers bij mensen een heel seizoen steeds ongeveer hetzelfde type rhinovirus in de neus, of ze nu verkouden zijn of niet. Bij anderen – wel of niet verkouden – vinden ze om de twee weken een ander type rhinovirus. Het is onduidelijk welk type rhinovirus nu eigenlijk wat bij wie doet en waarom. Daarom is er nog steeds geen medicijn of vaccin tegen.

EIWITMANTEL

Onderzoekers van de Maryland School of Medicine in Baltimore pakken het typeren nu uitgebreider aan door het hele genoom te bepalen van ruim honderd rhinovirussen. Daarbij waren alle 99 tot nu toe bekende serotypen. Een serotype is een groep virussen die in een laboratoriumtest met afweerstoffen niet meer van elkaar te onderscheiden zijn. In principe bouwt een mens weerstand op tegen een serotype en is dan korte of lange tijd bestand tegen virussen van hetzelfde serotype. Veertig jaar geleden zijn wereldwijd zo’n 99 verschillende rhinovirussen gekarakteriseerd naar hun eiwitmantel en het type antilichaam dat mensen tegen die mantel maken. Een rhinovirus wordt tegenwoordig als één van de 99 serotypen getypeerd door van een paar kleine typerende stukjes van het RNA de basenvolgorde te bepalen.

In het nieuwe onderzoek is van die 99 serotypen ál het erfelijke materiaal in kaart gebracht. Daarnaast hebben de onderzoekers ook nog tien rhinovirussen uit even zoveel verkouden kennissen in zijn geheel gesequenced, zoals dat heet. Aan de hand van die ruim 100 rhinovirusgenomen maakten ze een evolutionaire stamboom (Science , 12 februari). Deze nieuwe stamboom, waarbij de virussen zijn ingedeeld in 120 genotypen en vijftien groepen, is anders dan de stambomen die op basis van de samenstelling van eiwitmantels zijn gemaakt.

Stephen Liggett, een van de onderzoekers, zegt over de telefoon: “Alleen als je al het RNA in kaart brengt, krijg je een correcte stamboom. Dat is nodig om erachter te komen wat de verschillende genotypen bij mensen doen.” Een heel rhinovirus sequencen, verzekert hij, hoeft gemiddeld nog maar honderd dollar te kosten.

Door hele virussen te sequencen hopen de Amerikanen er ook eindelijk achter te komen welke stukjes van het RNA bij alle genotypen een constante basenvolgorde hebben. In het verleden mislukte een medicijn of vaccin steeds, omdat het virus de aanval wist te ontduiken door zijn RNA wat te veranderen. Maar dat kan het virus niet met elk stukje; sommige RNA-volgorden zijn essentieel voor de overleving. Op die onveranderlijke stukjes, hoopt men nu een medicijn of vaccin te kunnen richten. De groep van Liggett brengt komende maanden al het RNA van nog eens duizend rhinovirussen in kaart.

Het RIVM in Bilthoven analyseert jaarlijks van enkele honderden patiënten kleine stukjes van het RNA van de rhinovirussen. Kosten: enkele euro’s per virus. Volgens viroloog Berry Wilbrink brengt het sequencen van hele virussen, hoewel niet voor elk virus noodzakelijk, inderdaad een vaccin dichterbij. “Hiermee krijgen we ook inzicht in de stukken RNA die niet verantwoordelijk zijn voor de eiwitmantel, maar die wel mede de infectie en ernst van de klachten kunnen bepalen. Daar kun je dan een medicijn tegen proberen te ontwikkelen.”

UITWISSELING

Volgens Stephen Liggett lijkt vooralsnog de veranderlijkheid van het virus mee te vallen, wat goed nieuws zou zijn voor de vaccinindustrie. Als voorbeeld geeft hij het feit dat een genotype geïsoleerd in 1970, maar zo’n 800 van de 7500 basen afweek van het virus van hetzelfde genotype dat bijna 40 jaar later was geïsoleerd. Wel is nu ook voor het eerst aangetoond dat twee genetisch uiteenlopende rhinovirussen erfelijk materiaal kunnen uitwisselen. Maar of zo’n uitwisseling voor virussen uitzonderlijk of algemeen is, weet men nog niet.

Liggett verwacht dat er in de wereld nog rhinovirussen zijn die een eigen zijtak krijgen. Het merendeel van de nog te sequencen virussen, denkt hij, zal een variant zijn van de 120 genotypen die al in zijn stamboom zijn opgenomen. Varianten zullen maximaal een paar honderd van de 7500 basen afwijken. “Het virus verandert in een lichaam wel snel, maar de meeste overleven de veranderingen niet.”

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties

Wetenschapsbijlage 22 02 -09

Redactie wetenschap

In het stuk `Snotneuzen en hoesbuien` staat dat het rhinovirus 500.000 keer kleiner is dan een duizendste millimeter. Dat moet zijn: vijftig keer kleiner.