Residentie Orkest wat wisselvallig van klank

Klassiek Residentie Orkest o.l.v. Jan Willem de Vriend. Gehoord: 20/1 Dr. Anton Philipszaal Den Haag. Herh.: 21/2 De Doelen Rotterdam res 010 2171717; 22/2 Den Haag res 070 8800333. De Vriend bij Kon. Concertgebouworkest: 26, 27/ 20u15 Concertgebouw Amsterdam res 020 6718345. Radio 4: 22/3 14.15 uur***

Jan Willem de Vriend, oprichter van het Combattimento Consort Amsterdam en chef-dirigent van het Orkest van het Oosten, vervult dezer dagen gastdirecties bij het Residentie Orkest, waar hij al eerder optrad, en het Koninklijk Concertgebouworkest – een debuut.

Het repertoire van de concerten varieert van de door symfonieorkesten uiterst zelden gespeelde Rameau tot de veel frequenter uitgevoerde Händel, Haydn, Mozart, Beethoven en Schubert.

De Vriend (1962) vertegenwoordigt een nieuwe generatie in het ‘authentieke’ dirigeren. Dirigenten als Nikolaus Harnoncourt, Frans Brüggen en Ton Koopman begonnen met streng authentiek en gingen later voor ‘moderne’ orkesten staan.

Harnoncourt deed dat in 1973 bij het Residentie Orkest, waar hij een Matthäus Passion dirigeerde. Het was het begin van de definitieve schoonmaak van de stilistisch sterk vervuilde uitvoeringstijl van de Bach-Passionen.

De Vriend heeft het stadium van de pure authenticiteit overgeslagen. Zijn Combattimento Consort speelt gewoon barokmuziek op de gewone orkestinstrumenten, maar wel met de kennis en de levendige verworvenheden van de historische uitvoeringspraktijk.

Toch viel gisteravond het eerste concert in een serie van drie bij het Residentie Orkest in een kleine bezetting niet helemaal mee.

De zesdelige suite uit Rameau’s opera Naïs (1749) had, mede dankzij de barokpauken, een deels martiaal en triomfantelijk profiel. Maar de vioolklank was wel erg opgepoetst en blinkend hedendaags. Het Concertgebouworkest kan veel beter een ‘ authentieke’ klank imiteren.

Fagottist Peter Gaasterland was de virtuoze solist in het Fagotconcert KV 191 van Mozart. Het probleem van de zo sonore fagot als solo-instrument is toch die eenvormige klank. Hier was de orkestklank vooral fraai in het Andante ma adagio.

Beethovens Zesde symfonie ‘Pastorale’ klonk zoals de componist wilde niet al te beeldend. Er was hier wel een voorzichtige variatie in klank en een subtiele opbouw. Maar veel was ook wel erg licht en ingehouden, zonder opvallende ritmische inventies of Beethoveniaans temperament, zoals in de folkloristische boerendansjes.